maandag 29 augustus 2016

Op de paal – omdat ik geen windmolens wil zien


Twee zaterdagen terug ben ik op de paal geklommen. Omdat ze die windmolens in zee gewoon wat verder weg moeten zetten, zodat we ze niet zien. Omdat dit het laatste stukje Nederland is waar je nog een vrije, lege horizon hebt. Omdat dat stukje horizon van ons allemaal is en niet van een paar maatschappijen die in energie handelen.


Ik ben op de paal geklommen, omdat we een rijk land zijn en we het best kunnen betalen als die molens wat verder weg komen te staan, uit het zicht. Omdat je die horizon, die er al eeuwen is, maar één keer kan verknallen. En dat is dan meteen ook de allerlaatste keer.

Met zeezeiler Bas Drinkwaard en fotograaf Maarten van Rijn.

Ik ben op de paal geklommen, omdat politici maar eens goed, heel goed moeten gaan nadenken voordat ze iets zeggen of beslissen.


Waar het om gaat, is dat die windmolens gewoon wat verder naar achteren moeten. Het zijn wel hele gebouwen die je daar neerzet in zee. Hoge dingen, van wel 200 meter hoog. Ter vergelijking: de Domtoren in Utrecht is 100 meter hoog en de torenflats in de Hoornes gaan zo'n 40 meter de hoogte in. En dat dan dus vijf keer! Windmolens is ook eigenlijk geen goed woord voor zulke grote dingen. Het zijn turbines!


Ik vind ze ook lelijk, die molens, turbines dus. Maar dat is mijn mening. Maar het is wel mooi, hoe lelijk ze ook zijn, dat ze door wind energie maken, waardoor ik dan weer dit blogje kan schrijven. Maar dan wil ik ze niet zien!


Daarom wil ik iedereen vragen de petitie te tekenen op verzetwindmolens.nl. Dat dat kan, komt weer door diezelfde wind. Mooi hè? Stroom door de wind... en hoe die stroom door de wind komt, dat hoef je niet te zien.


Maarten van Rijn en Wilma Overdevest maakten de foto's. En met een beetje geluk werden de batterijen van hun fototoestellen door de wind gevoed.

vrijdag 26 augustus 2016

Bramen plukken – Vroege herinneringen (3)


We gingen ook bramen plukken in de duinen. Dat was aan het einde van de zomer, als ze goed dik waren. Die noemden we besuikerd. Dan vielen ze bijna van de struiken af. We zochten een dal waar heel veel van die besuikerde bramen waren. Dan had je zo een emmer vol. We gingen dan met z'n allen in dat dal langs de hellingen plukken met allemaal een eigen bakje en zetten de emmer in het midden waar we dan die bakjes in leegden. Maar soms had je alleen maar eentjes of tweetjes of drietjes. Dan had zo'n braam maar een, twee of drie besjes. Dan ging het niet zo hard.


We gingen wel eens stiekem in de zeereep. Daar mocht je niet komen, maar daar stonden wel heel veel bramen. Je kon er de duinwachter tegenkomen. Dan moest je rennen en gauw weer over het prikkeldraad, want anders pikte die duinwachter je volle emmer in en had je voor niks al die bramen lopen zoeken.
De braamstruiken prikten ook altijd heel erg aan je vingers. Als de zon heel heet was, deed je een zakdoek op je hoofd, met knopen op de hoeken. Je kwam ook wel eens thuis van het bramen plukken en dan zat je broek helemaal vol met klitten aan de onderkant. Als je een meisje was met lang haar, had je soms klitten in je haar. Die gingen er heel moeilijk uit. Dan moest je het haar eruit knippen. Op het fietspad waren allemaal paarse vlekken, van bramen die uit de emmers gevallen waren.
Mijn moeder kookte sap van de bramen en die kreeg je dan de hele winter in de gele vla, maar dan moest je wel eerst je eten opeten.

Met dank aan Lenny Haasnoot voor de foto's.

woensdag 3 augustus 2016

Schoenen passen

'Hoe vindt u deze?'

Aan de overkant van de straat had je de schoenenzaak van Van den Berg. Met nog enkele andere middenstanders de enige katholieken in het dorp.* Maar het waren de overburen en aardige mensen. Zelf was ze een van de laatsten die nog in klederdracht liepen. Iemand moet gedacht hebben, dat gaan we fotograferen, in onze moderne zaak. En haar dochter moet ook mee.
Ze hadden er speciaal een fotograaf voor laten komen, Jaap van Duyn, uit de Princestraat. Wat zal het geweest zijn, jaren zeventig, tachtig.** Er hangen nog lang geen Crocs in het rek. Om van Uggs maar helemaal te zwijgen.

Links tante Agaath, in het midden mijn overgrootmoeder Pietje van Rijn.
Wie anderen zijn weet ik niet.


* Ik heb me eens laten vertellen dat er op een zeker moment in het hele, overwegend protestantse dorp maar vijf katholieke families waren. Dat was zelfs nog na de oorlog.
** De foto's zaten in een bruin mapje – die had je in die tijd – met de naam van de fotograaf in modern vormgegeven kleine letters en ook alle overige tekst in een schreefloos font zonder hoofdletters. Het telefoonnummer (alleen het abonneenummer) bestond nog uit vijf cijfers. Het kengetal, dat er niet bij staat, bestond eveneens uit vijf cijfers: 01718. Nu is dat 071 en bestaat het abonneenummer uit zeven cijfers. De kleur van de opdruk zal oorspronkelijk matgoud zijn geweest. De foto's in het mapje zijn gedrukt op mat papier met putjes. Modern voor die tijd, maar het maakt ze niet scherp.

Gedeelte van het fotomapje.

zondag 17 juli 2016

Roodkapje en de wolf in het Vondelpark


Dat was wel een heel andere Roodkapje gisteren in het Vondelpark. Een Roodkapje die uiteindelijk verliefd werd op de wolf. Ze wou hem wel opeten, zo verliefd werd ze. Ze zou eerst koekjes naar grootmoeder brengen, maar die had nog genoeg koekjes, dus daar hoefde ze niet naartoe. Daarom ging ze maar wat wandelen. Ze wilde een keer een heel andere route nemen dan ze altijd in haar sprookje had gedaan. Omdat ze van het pad af ging, raakte ze helemaal de weg kwijt. Er lagen broodkruimels op het pad. Hoe kon dat nou? Er lag ook een appel in het bos. Toen Roodkapje daar een hap van nam, viel ze in slaap, want de appel was giftig. Maar ondertussen had Roodkapje ook een zilveren muiltje gevonden, waar een prins naar op zoek was, want dat muiltje had op de trap moeten liggen, waar het verloren was. Maar daar lag het niet. Er was een geitje dat op zoek was naar een klok om zich te verstoppen voor de wolf, die ondertussen de prins had opgegeten. Toen moest de wolf met het kroontje van de prins op zijn hoofd alleen nog Roodkapje wakker kussen en leefden ze nog lang en gelukkig.




Het Kleine Theater speelde Roodkapje in het Vondelpark Openluchttheater.

dinsdag 5 juli 2016

Het raampje in de voordeur


Dit was de plek van m'n tante Agaath. In februari is ze overleden. 85 jaar in hetzelfde huis gewoond, vanaf de dag dat ze er werd geboren. Tante Agaath. Voor iedereen altijd even lief en attent. D'r moeder, die ze jarenlang verzorgde, en ook d'r zuster de laatste jaren. En als je bij haar langsging, in dat huis dat er misschien al honderdvijftig jaar staat, kon je zo naar binnen, met je arm door het raampje, het raampje in de voordeur dat altijd openstond.

Vandaag was haar verjaardag.

zondag 5 juni 2016

Het pleintje van Lisa


In Corniglia* heb je aan het pleintje aan het begin van het dorp twee kleine supermarktjes. Ze zijn ongeveer even groot. Of eigenlijk dus 'even klein'. Ik schat dat ze alletwee ongeveer twee bij zeven meter in oppervlakte zijn. Toen we een paar dagen in Corniglia waren, ontwikkelden we voor een van de twee een voorkeur: het winkeltje van Lisa. Lisa vertelt wat ze verkoopt, legt je uit wat het verschil is tussen de broden, of de kazen, of de verschillende focaccia's. Dat zijn vette, luchtig gebakken broodjes die op de toonbank liggen. Ze zijn ook een beetje zoutig. Als je er eentje gegeten hebt, denk je dat ze in olijfolie gedrenkt zijn, maar in de meeste soorten zit gewoon boter. Alleen in die met de gele kruimeltjes erbovenop zit olie. Die zijn plantaardig en zogezegd het gezondst. Behalve rechthoekige focaccia's heb je ook nog ronde. Die komen uit het buurdorp Vernazza. Dat wijkt in alles af van het rustige Corniglia. In Vernazza zit het bestuur van de twee gefuseerde gemeenten. Daar zit ook de burgemeester. In Vernazza wordt de dienst uitgemaakt en de mensen in Corniglia merken dat de mensen in Vernazza op allerlei manieren bevoordeeld worden. Vernazza is daardoor ook veel toeristischer, wat dan weer een voordeel is voor Corniglia, vinden wij. Lisa kan je precies vertellen hoe het allemaal zit. Als er geen klanten zijn, maakt ze graag een praatje, in haar beste Engels. Ze vertelt dat er 's winters, als de toeristen weg zijn, 180 inwoners in het dorp wonen. Op een dag wilden we naar San Bernardino wandelen. We keken er vanuit ons appartement op uit, dat kleine dorpje boven op de berg. Je kan er vanuit Corniglia alleen via de weg komen, zei Lisa. Er is wel een pad, maar dat loopt heel steil de helling af in de richting van Vernazza. We besloten de weg omhoog te nemen en dan via dat pad omlaag met een omweg via Vernazza weer naar Corniglia te wandelen. In San Bernardino wonen niet meer dan 30 mensen, weet Lisa ons te vertellen.** Lisa weet alles. Ze kan je ook vertellen als er een weerwaarschuwing voor die dag is uitgevaardigd en je beter niet over de bergpaadjes kan gaan wandelen. Buiten tegen de muur van de winkel staat een rekje met zes kratjes, met appels en perziken en bananen en tomaten, ronde en romatomaten, en kersen en kiwi's. Soms staat er op een krukje aan de andere kant van de deur een kistje met aardbeien. Als je doosje koopt, kijkt ze ze helemaal na, vanboven en van onderen. De man van Lisa is heel precies in het optellen van de boodschappen, maar Lisa houdt er een andere, nogal wonderlijke manier van uitrekenen op na. Net of ze hiermee in een psychologisch spel met haar man verwikkeld is. Heel af en toe tref je ze beiden aan achter de toonbank. Maar meestal alleen Lisa. Het liefst wil ze alles weggeven, zo lijkt het. Dan koop je wat yochurt, wat broodjes, die in Italië, als laatste land, zou je bijna denken, nog lekker echt en stevig zijn, tomaatjes, kiwi's, een doosje aardbeitjes, kaas, melk, je ziet een bedrag op de kassa verschijnen, zeg 9,43, en dan zegt Lisa: 'Uhhh..., eight.' Ze zegt het alsof ze een schatting maakt, van wat het eigenlijk waard zou moeten zijn. Maar het is altijd in het voordeel van de klant. En altijd afgerond op hele euro's. Van die echte en stevige broodjes die ze verkoopt, maakt ze verse sandwiches, dik belegd, voor een luttel bedrag. Als je gebakjes koopt, geeft ze het zakje apart aan als je in je andere hand je tas met andere boodschappen hebt en zegt: 'It's a present for your wife.' Mijn vrouw wilde op een van de laatste dagen van ons verblijf een potje echte pesto kopen als cadeau voor een vriendin en vroeg wat Lisa haar kon aanraden. Ze loopt naar het schap en zegt: 'This one', zelfgemaakte pesto van het restaurant Sassarini. Ze doet het potje in een zakje en loopt weer naar het rek. Kijk, en dan doe ik die erbij voor jouzelf. Lisa is een ongelofelijk schat. Soms doet ze de boodschappen in een papieren tas en schrijft daarop met pen 'En se ciape-a de Lise'. Eerst dachten we dat het gedrukt was, een beetje artistiekerig, drukwerk dat erop lijkt alsof het met een pen geschreven is, zoals je wel eens onder brieven van grote firma's ziet, zo'n voorgedrukte handtekening van een of andere bobo die je helemaal niet kent. Maar nee, Lisa schrijft het er iedere keer weer opnieuw op, want al die papieren zakken die we in de korte tijd dat we in haar dorp verblijven verzamelen zijn een beetje verschillend van elkaar. Wat ze opschrijft, is plaatselijk dialect voor zoiets als 'op het pleintje van Lisa' of 'op de plek van Lisa'. Het plaatselijk dialect, van 180 mensen.


* Het middelste van de vijf Cinque Terre-dorpjes aan de Ligurische kust van Italië.
** Ik heb even gegoogeld. In San Bernardino wonen 27 inwoners, verdeeld over 21 'families': 17 zijn alleenstaand, 3 huizen worden door 2 mensen bevolkt en in 1 huis wonen 4 mensen.

maandag 30 mei 2016

Die dorpjes


Ja, die dorpjes heb je hier veel natuurlijk, in Italië, met al die ouwe huisjes, kriskras door mekaar en op mekaar gestapeld, nauwe straatjes, trapjes, je kent het wel. Kerkjes, bim-bam-bom. De was die hangt te drogen. Net als in An Americanvan Anton Corbijn, of in De vrouwenverzamelaar, van Adri van Beelen.

woensdag 25 mei 2016

Oorlog en vrede in het Concertgebouw


Dat is toch grandioos, behalve dat het onvoorstelbaar knap is, de kunst om dit als groep voor elkaar te krijgen, om een sfeer neer te zetten – ik druk me wat ongelukkig uit – iedere keer weer, altijd maar weer, met z'n zeventigen, allemaal anders, ieder op een ander instrument, dat dan één geluid wordt, zoals afgelopen zondag, in het Concertgebouw, het geluid van het statige Music for the Royal Fireworks, Engelse overwinningsmuziek, trots, met toeters en trommels, maar daartussendoor veel melodieuze zwier, heel achttiende-eeuws, heel erg Händel, en na de pauze het geluid van de Achtste van Sjostakovitsj, uit 1943, Tweede Wereldoorlog, een symfonie waarmee het orkest volledig de breedte in gaat, het hele podium bestrijkt, met, zoals in het programmaboekje staat, veel slagwerk achterin, dat soms losbreekt 'en klinkt als een onheilspellende oorlogsmachine met gillende klarinetten, snerpende piccolo, een jankend strijkorkest, met pauken en trommen die inslaande bommen suggereren'. Ik hoor cello's en bassen die dreigend zoemen, en soms ook hun snaren laten knallen. De ellende van de oorlog in muziek vertaald.

Wat is dit voor beroep? Wat hebben die zeventig mensen met elkaar om dat te kunnen? Zo schitterend, zo prachtig mooi. Speciaal voor mij, voor ons allemaal, om daar op dat podium te gaan zitten, avond aan avond, een zondagmiddag soms. Wat mooi om dat te willen. Een diepe buiging, chapeau, bravo! – om in publiekstermen te blijven.

Laat de politiek daar in godsnaam af blijven.

Op 22 mei hoorden we in het Concertgebouw het Nederlands Philharmonisch Orkest.

dinsdag 24 mei 2016

Ave, ave, ave Maria


Als je dan je pizza zit te eten en om halfacht het carillon van de San Pietro het Ave Maria van Fatima klingelt, weet je dat je in Italië bent.

Nou vind ik wel dat het echte Ave Maria veel en veel mooier is, maar niet geschikt voor carillons, vrees ik. Bij het Ave Maria van Fatima (het Fatimalied) zie ik altijd slepen van nonnen in lange gewaden. En je bent het meteen al zat zodra je het hoort. Dat slepende gezing. Het lijkt wel een mantra.* Hoor maar in het volgende filmpje.


* Volgens Van Dale (figuurlijk): steeds, met name tot vervelens toe herhaalde boodschap.

zaterdag 14 mei 2016

Dommetje


Je kan niet altijd maar overal zijn. Daarom brachten Gerard en Linda dit potje zand voor me mee uit Sainte-Marguerite-sur-Mer.* De naam van het plaatsje is in mooi schuin handschrift op een papiertje geschreven en met plakband erop geplakt. Het deksel heeft hier en daar wat butsen, roest lijkt het. Wat zou erin gezeten hebben? Kappertjes? Nu zien we mooi gevarieerd zand, grof, veelkleurig.

Sainte-Marguerite-sur-Mer is een plaatsje dicht onder Dieppe en iets verder van Fécamp gelegen. Fécamp, waar Dom Bénédictine gemaakt wordt, een alcoholische kruidendrank. Katwijkse vissers die vroeger de havens van Dieppe of Fécamp aandeden, namen wel eens een fles van dat spul mee naar huis. Een 'dommetje' noemden ze dat.

Ook de vader van Linda kwam vroeger als visser in Dieppe.

* Voor m'n verzameling.

zaterdag 7 mei 2016

Het wonder van Katwijk


Ik herinner me nog, lang geleden, in een trein vol bedevaartgangers, terug uit Lourdes op weg naar Nederland – wij hadden er in de bergen gewandeld – een vrouw tegenover ons met zo'n Mariabeeldje gevuld met water, eerder eigenlijk een flesje in de vorm van een Mariabeeldje, een plastic flesje. Zij vertelde dat het bijzondere aan het water in het flesje was dat het niet verdampte. Thuis had ze nog zo'n flesje, van een paar jaar daarvoor, ook meegebracht uit Lourdes, en daar was nog geen druppel uit verdampt.

Het is natuurlijk niet zomaar water, dat water uit Lourdes. Het komt uit de Grot van Massabielle, waar in 1858 Maria verschenen is aan de 14-jarige Bernadette Soubirous, een eenvoudige molenaarsdochter. Maria had haar van allerlei kwalen genezen. Sinds het bekend worden van deze wonderen kwamen er jaarlijks zes miljoen bezoekers naar de grot om er te bidden en water mee te nemen dat er ontspringt uit een bron. Maar dat dit water anders zou zijn dan ander water en niet verdampte, dat geloofde ik niet. Ik vertelde de mevrouw dat ik dat wel begreep dat dat water in haar Mariaflesje er niet uit wou. Omdat er een dop op zat. Een plastic dop op een plastic flesje. Maar nee hoor, daar lag het niet aan. Volgens de vrouw had het niet met flesje te maken maar met het water. Het water zelf, daar lag het aan. Het was de eigenschap van het water, dat het niet verdampte. De vrouw was zeer stellig in haar opvatting. Ik probeerde het haar nog een keer uit te leggen, van de dop en het flesje, maar het had geen zin. Bij hoog en bij laag bleef zij volhouden dat het het water was. Uiteindelijk gaf ik haar maar gelijk. Het was nog een lange reis naar Nederland en de sfeer moest vooral prettig blijven. Misschien dat het lag aan mijn nuchtere protestantse opvoeding,* maar ook zonder die opvoeding was ik niet in haar verhaal getrapt. Hier golden gewoon de natuurwetten.


Later ben ik daar toch anders over gaan denken. Ooit, ook alweer lang geleden, heb ik voor mezelf een kunstwerkje gemaakt, bestaande uit een blok hout met daarin twee gaten, als een soort van houder. In het ene gat zette ik een pot met zand en in het andere een pot met zeewater uit Katwijk. Dat was op 4 september 1999, staat onder de potten in het blok. Waarom ik het kunstwerkje gemaakt heb, weet ik niet meer. Het zal wel met de eeuwwisseling te maken hebben. Heel voor de hand liggend heb ik het 'ZEEZAND' genoemd. De potten zijn afgesloten door een bakelieten deksel met daartussen een flexibele lijm. De deksels zijn verzegeld. De potten zijn nooit geopend. Daarmee werd dit kunstwerkje een relikwie.** Met het zand ondertussen is natuurlijk niets gebeurd, maar met het zeewater wel. Dat is bijna helemaal verdampt. Op het moment van schrijven zit er in de pot nog een dun laagje water, met daarin, op een hoopje, ook een wat vaster residu, een doorzichtig bergje. Zou dat het zout zijn dat uit het water is overgebleven?


Wat kan er de verklaring voor zijn dat het water verdampt is? Is bakeliet, de voorloper van plastic, poreus? Ik kan het me niet voorstellen. En kan water door een lijmlaag die de pot hermetisch afdicht, of als die lijmlaag misschien verteerd zou zijn,*** om een hoekje, de hoek van de rand van de deksel, een forse rand, mag ik wel zeggen? Nee toch? Ook al zou het er heel lang over hebben gedaan, dat water, om te ontsnappen door die deksel, wel bijna zeventien jaar, dan kan ik dat niet geloven. De pot zit letterlijk potdicht. Hij staat in een koude kamer waar de zon nooit komt op een donkere plek. Hoe kan het dat het water dan toch verdampt? Als het niet aan de pot ligt, het omhulsel, moet het wel aan de inhoud van die pot liggen. Hier gelden duidelijk niet de natuurwetten. Het kan niet anders of het moet de bijzondere eigenschap van het zeewater zijn, dat er de oorzaak van is dat dat water verdampt.  De bijzondere eigenschap van zeewater uit Katwijk. Zeewater uit Katwijk en níét uit Noordwijk of Scheveningen. Het Katwijkse zeewater is in ieder geval niet zo gewoon als het water uit Lourdes, uit de Grot van Massabielle, dat helemaal niet verdampt, zelfs niet door een plastic dop of een plastic omhulsel. Dat dit bij het water van Katwijk wel gebeurt, wel lukt, mag je daarom gerust een wonder noemen, het wonder van Katwijk.

Ten slotte nog dit: bedevaartsgangers worden in Katwijk badgasten genoemd. Het scheelt een paar letters,**** maar je kan het ook omdraaien, als je ziet hoeveel badgasten, lees: bedevaartgangers, de zee jaarlijks trekt.

* Zo'n plastic flesje in de vorm van Maria had me eigenlijk al moeten laten stuiteren. We spreken hier wel over de jaren tachtig van de vorige eeuw waarin ik dit meemaakte, een tijd waarin de zuilen nog lang niet verbrokkeld waren, de katholieke Máxima nog geen koningin was van ons protestantse vorstenhuis en de sociale media nog niet hadden bijgedragen aan een verdere vervlakking van de maatschappelijke verschillen.
** Het bevat nog het oude zand van Katwijk, van ver voordat de nieuwe waterkering werd aangelegd, zand dat daar in feite onder ligt.
*** Ik kan dit niet nagaan, want de potten zijn verzegeld. De inhoud is een relikwie. Van bijvullen van zeewater uit 1999 met zeewater uit 2016 kan natuurlijk helemaal geen sprake zijn. En daarbij: stel dat het Katwijkse zeewater met Noordwijks of Schevenings zeewater vermengd zou zijn.
**** En het hele woord badgasten kun je uit bedevaartsgangers halen.

zondag 1 mei 2016

Vanmiddag op het strand


Vanmiddag op het strand, voorbij Willy Zuid, bij Skuytevaert, nog maar een handjevol masten, twee wielen die klaarstaan om een catamaran naar zee te brengen, en weer terug, de hele lange zomer lang. Op het terras lees ik in Honorair Kozak van Tommy Wieringa, over rijke meisjes die vanaf een jacht in rubberbootjes over de Ligurische Zee aan land komen. Daar doen zij in een soort balletstand hun hoofd opzij en wringen hun ravenzwarte haren uit. Mooi beeld van de zomer.

donderdag 21 april 2016

De klassenfoto – Lagereschooltijd (8)

Christelijke Opleidingsschool, klas 6B (1973-1974).

Daar zitten we dan, op de rood-met-geelgewolkte vloer. Klas 6B, van de lichting 1968-1974. Even kijken of ik ons allemaal nog weet. Mijzelf, links bovenaan, dan Arend van Duijn, Gerard van Duijn, Gijsbert Aandewiel, Piet Grotendorst, de onderwijzer, die in Drenthe is gaan wonen. Een bovenste beste! Wij mochten natuurlijk geen 'Piet' zeggen, maar moesten 'meneer' zeggen en geen 'meester', zo modern was onze school dan wel. Op de tweede rij van boven zien we Willeke van der Oever (of: van der Plas), waar ik in de tweede klas naast zat en nog een foto van heb waarop we allemaal een appel eten – dat zal wel zo'n actie van 'Snoep verstandig, eet een appel' geweest zijn. Dan Hanneke Verdoes, op wie we allemaal verliefd waren, en Arenda van Egmond, op wie we ook allemaal verliefd waren, helemaal uit Rijnsburg iedere dag op de fiets. Zij woonde in het witte huis met die grote kleurige papegaai op de zijkant geschilderd. Aan de Rijnsburgerweg, voorbij de splitsing tegenover de oude hallen van bloemenveiling Flora, daar aan de overkant. We hadden er een keer een feest. Het huis is later afgebroken en nooit meer opgebouwd. Er is nu een parkeerplaats met Mercedessen. Ik heb even navraag gedaan bij de buren van die parkeerplaats, een familie De Mooij. Die konden inderdaad bevestigen dat daar dat huis stond. Er was een dierenwinkel bij. Dat verklaart natuurlijk die papegaai. Er moet ook nog een bord met P. Sluis vogelvoeders gehangen hebben. Na Arenda zien we Jeanet van Egmond, van de kruidenier – of mocht je dat al een supermarkt noemen, want je mocht alles zelf pakken – in de Koninginneweg, dan Ageeth, waarvan ik de achternaam kwijt ben, dan een klasgenoot waarvan ik de hele naam niet meer weet – of misschien dat zijn voornaam Wim was; hadden zijn ouders misschien een tegelhandel? De volgende is Bram van der Meij, dan weer een die ik niet meer weet – ik denk een Jan, een Jan van der Plas misschien wel – en als laatste in de rij Kees Hoek. Op de rij daaronder Nel Wassenaar, Heleen Dijkhuizen, Peter van Duijvenboden, die schrijver geworden is, dan eentje van wie ik de naam kwijt ben – misschien ook wel een Jan –, daarna Theo van der Plas, die toen al motoragent wilde worden en dat dacht ik ook geworden is, Hans de Mol, Hudie Ouwehand, Albert de Vink, een neef van mij, en als laatste weer een naamloze, of heette die Arie of Wim? Op de rij op de grond de dochter van de poelier in De Waalmalefijtstraat, met de achternaam Sterk, maar wat was haar voornaam? Dan als tweede iemand die ik vergeten ben, en ook als derde. Verder Herman van Rhijn, Tonnie de Mol, Arie Schaap, Gerco Klok, Bram Verloop en Carol Bouwman, die in de 'Groene Pannen' woonde, of daar net voorbij, in de bocht. Haar vader was advocaat. Het een na laatste meisje heette volgens mij Marja, met als achternaam, als ik het goed heb, Brouwer. Van het laatste ontbreken voor- en achternaam.

Leven we allemaal nog? Wat is er van ons geworden?

Het viel niet mee om al die namen weer in m'n hoofd te krijgen. Toen ik de foto uit m'n fotoalbum haalde om 'm te scannen, dacht ik nog, wat moet dat worden. Maar in de dagen dat ik naar de publicatie van dit bericht toe leefde, plopten er steeds meer op, meer dan er een paar jaar geleden zouden zijn opgeplopt, denk ik. Het zal de ouderdom zijn. Hoe ouder je wordt, hoe meer er van vroeger terugkeert in je hersenpan, of kan ik hier beter zeggen: wordt teruggevonden. Het moet een puinhoop zijn, in die bovenkamer, al die jaren...


Van Jacqueline van Duijvenboden kreeg ik als reactie nog deze foto toegestuurd. Er ligt een bord bij de vuilnis met daarop WORMEN MADEN. Het was dus inderdaad een dierenwinkel. Ze hadden er zelfs aapjes, zoals Jacqueline op hieronder en op Facebook schrijft. Je kon het goed zien, die papegaai op het huis als je er met de bus langsreed, en ook nog een vis. Arenda woont tegenwoordig in Frankrijk, haar zus in Engeland.

Van Marjan Leemans-Arnoldus kreeg ik nog de volgende oplossingen: Willeke van der Oever is inderdaad Willeke van der Oever. De dochter van de poelier heet met haar voornaam Linda. En het meisje rechts onderaan is Rienet van Rijn, van de bakker in de Princestraat. Ja, we komen er wel, als iedereen wat roept.

De laatste dame is toch niet Rienet van Rijn. Peter geeft hieronder het complete en juiste overzicht. Super! Onderzoek afgerond. Hoewel, nu nog een kleurenfoto van het huis met de papegaai! Wie heeft hem?