zondag 12 augustus 2018

In de etalage – Volendam (3)


'Kijk, Gerard Joling, en daar, een nog jonge André Hazes. En Jan Smit en Jan Keizer. Wat een volk.'


'Maar die komen hiervandaan, die Jan Smit en Jan Keizer. Die zijn het gewend er zo bij te lopen.'


'Hé kijk, André van Duin houdt dezelfde accordeon vast als ik.'

donderdag 9 augustus 2018

De knipskuite ('de knipschuiten') – Katwijk-fiction

Een knipschuit, met de letters K op de achtersteven, ligt
ter reparatie op het strand tussen de andere knipschuiten.

Je hadde òòk nog de knipskuite.* Die voere van Lààie nae Kattuk, mit knip.**
('Je had ook nog de knipschuiten. Die voeren van Leiden naar Katwijk, met knip, een soort janhagel.')

* De knipschuiten konden gemakkelijk van de kakenbommen onderscheiden worden door de hoofdletter K die aan weerszijden op de boeg en achtersteven geschilderd was. Zij waren ook kleiner dan de kakenbommen. Geen 40 bij 21 maar 30 bij 14 voet. Dat maakte de scheepjes wendbaarder als ze de Rijn af kwamen zakken. De Rijn was in die tijd een bochtige rivier met veel smalle doorgangen bij de bruggen. In Katwijk zeggen ze voor brug bregge en een bekende uitdrukking onder de Katwijkers is een breggetje neme voor als men iets gedurfdst moet doen. Letterlijk betekent dit 'een bruggetje nemen', dus door de smalle doorgang van een brug varen. Maar de doorgangen waren vaak zo smal dat de schipper van de knipschuit eerst een borreltje nam voordat hij erdoorheen voer. Dan durfde hij, zogezegd. Van lieverlede is een breggetje neme daardoor een borreltje nemen (drinken) gaan betekenen, ook als men niet is gewaagdst moest doen, zoals onder brug door varen. Om een lang verhaal kort te maken: de lezer begrijpt wel dat de schippers van de knipschuiten vaak half beschonken in Katwijk arriveerden. Gelukkig werd de Rijn daar naar zee toe steeds breder zodat het wendbare scheepje nergens tegenop botste. Maar in Leiden, waar de knipschuiten hun tocht begonnen, was het nog smal. Lag zo'n knipschuit bijvoorbeeld aangemeerd aan de Lange Mare bij de bakkerij van Goedeljee, dat was op de hoek met de Clarensteeg, dan moest zij eerst onder het smalle bruggetje van de Haarlemmerstraat door en daarna onder het nog smallere van de Stille Rijn om op de Rijn te komen. Dan ging het verder rechtsaf langs de Apothersdijk en het Galgenwater via Valkenburg en Katwijk aan de Rijn naar Katwijk aan Zee. En het schuitje was flink beladen, hoor. De schipper nam dan in de bakkerij al een of twee borrels en voor elk bruggetje dat hij passeren moest nog een borrel. Hij had daartoe een flesje Hartevelt onder de verschansing bij de helmstok liggen. Bekend in Katwijk, maar ook in Leiden, is nog steeds de uitdrukking zo dronken als een knipschipper.
** Knip was een soort janhagel, een rechthoekig zandkoekje met suikerkorrels erop. Het verschil met de janhagel is dat de amandelschaafsel ontbreekt. Het koekje werd in Leiden gebakken. De hele stad rook naar dit baksel, vandaar dat Leiden ook wel knipstad genoemd werd. In het verlengde daarvan lag vanzelfsprekend de aanduiding sleutelstad. (Bij een knip op de deur kun je ook wel een sleutel gebruiken, nietwaar?) De schuiten voeren met de knip van Leiden naar Katwijk via de Rijn om vervolgens bij zee aangekomen linksaf te slaan en op het strand te landen. Daar werd de knip uitgeladen en in lange rijen, als op een bakplaat – maar wel wat groter – op het strand uitgelegd. Vervolgens kwam de afslager met een lange stok. Hij wees de partijen knip aan en sloeg ze af. De vrouwen – de mannen zaten op zee op jacht naar zeekaken – die als eerste hun hand opstaken hadden de beste knip voor de beste prijs.

vrijdag 3 augustus 2018

Mit 'n witte vlagge ('met een witte vlag') – Katwijk-fiction


De kaekebom hàài altijd 'n witte vlagge* in de mast**, tot je kon zien tot-ie op kaeke voer. 't Wit van de kaeke, zòò-ezààd.
('De kakenbom had altijd een witte vlag in de mast, zodat je kon zien dat hij op kaken viste. Het wit van de kaken, zogezegd.')

* De vlag, eerder een wimpel of vaan, was 2 meter lang en had meestal een breedte van 37 centimeter. Dat was de breedte die ze op rol konden leveren, helemaal uit Duitsland vandaan, uit de katoenfabriek van Vonderlinden in Hamburg. Vandaar dat men de vaan ook wel aanduidde als een 'vonderlindetje'. Ja zelfs de kakenbom zo aanduidde, maar dat was uitzonderlijk. Dat ging dan van: Zie je die vonderlinde al ankomme in de vorte? ('Zie je die vonderlinden al aankomen in de verte?') De hier afgebeelde vaan is onderdeel van het model van de kakenbom dat ik thuis heb staan. De verhouding klopt daarom niet helemaal.
** De witte vlag hing altijd in de lange (voorste) mast, de zogenaamde lange steng. In de korte achtermast, de korte steng, werd de vaderlandse driekleur gevoerd, met uitzondering van de Franse tijd (1804-1814/15) toen de Franse vlag gevoerd werd, de drapeau tricolore. Deze tricolore dook in de jaren tachtig van de twintigste eeuw opeens weer op toen hij aan de meubelzaak van Haasnoot wapperde. Maar gelukkig, aandachtige jongeren met veel gevoel en historisch besef grepen toen snel en onverwijld en zonder dralen in. Er was geen moment van twijfel. Dit speelde zich allemaal af in de Voorstraat, een belangrijke straat, waar op een steenworp afstand, wat meer naar zee, zo'n 75 jaar daarvoor bij de firma Taat de kaekebomme aan de lopende band de werf verlieten. Het strand lag er vol mee. Op de foto hieronder zien we alle kakenbommen die Katwijk rijk was langs de boulevard tegen de huizen opgetrokken liggen, liggen te wachten tot de winter weer voorbij is en de kakenjacht geopend wordt. De jongen rechts houdt speciaal voor de fotograaf nog even een extra grote en dikke zaekaek boven zijn hoofd.

woensdag 1 augustus 2018

't Kaekenet ('het kakennet') – Katwijk-fiction


En dut is 'n kaekenet*, waermit of tot-tie zaekaeke-n-evange wiere.**
('En dit is een kakennet, waarmee die zeekaken werden gevangen.')

* Een compleet kakennet was 240 meter lang. Op 220 meter, gemeten vanaf de schuit, begon de kuil. Die had derhalve een lengte van 20 meter. De opening van de kuil mat 14 meter in de breedte en was twee meter hoog. De maaswijdte was 3 centimeter.
Als het net door de bemanning binnengehaald werd, riep de schipper bij elke ruk aan het net, doorlopend en met lange uithalen: 'Kae-kuh! Kae-kuh! Kae-kuh!' (enz.). De mannen maakten hierbij vaste, 'roeiende' bewegingen. Tot men bij de kuil was aangekomen. Dan was het torsen geblazen. De kuil werd met alle macht over de verschansing getrokken. Nu kwam het legen van de kuil. Dat was altijd weer een spannend moment. De 'strik' werd eruit getrokken en een grote golf van zeekaken overspoelde het dek. Ze rolden alle kanten op. Op sommige plekken kwamen ze wel tot een meter hoog en was er geen doorkomen meer aan. Nadat de schipper het sein: 'Rae-puh!' gegeven had, begon men met het rapen van de zeekaken. Vervolgens werden de kaken dakpansgewijs in de kaaktonnen gelegd. Een zorgvuldig karweitje, waarvoor niet alle mannen geschikt waren. Maar ieder wist zijn plaats. Je had 'raepers' en 'leggers', zij die alleen raapten en zij die de geraapte kaken ook in de tonnen mochten leggen. Om de kaken goed te houden, werden de tonnen aangevuld met zeewater, tot de rand, waarna de deksel erop ging. Hiervan komt de uitdrukking: 'Z'n ààge 'n gewaekte kaek voele' ('Zich een geweekte kaak voelen') oftewel 'zich benauwd (warm) en nat van het zweet voelen (als natte kaken in een ton)'.
** Eenmaal aan land, maalden de bakkers de zeekaken tot meel om er vervolgens brood van te bakken. Maar dit ging niet zomaar. Om ze te kunnen malen moesten de kaken kurkdroog zijn. De natte kaken werden daarom eerst te drogen gelegd op de 'kaekvelde'. Deze waren gesitueerd rondom het wantveld, waar het want, de netten gedroogd werden. Dat de kaakvelden aan de buitenkant lagen, was bijzonder slim bedacht. Men kon er zo gemakkelijk bij als er bijvoorbeeld een bui in aantocht was. Men hoefde dan niet eerst door de netten te ploegen.

zondag 29 juli 2018

De kaekebom ('de kakenbom') – Katwijk-fiction


Kijk, en dut is nou zòò'n auwe kaekebom, 'n model d'r-van dan,* waermit of tò-se vrouger op zaekaeke** viste.
('Kijk, en dit is nu zo'n oude kakenbom, een model ervan dan, waarmee ze vroeger op zeekaken visten.')

* De kakenbom was ruim 40 voet lang en had een breedte van 21 voet.
** De zeekaken gingen in kaaktonnen. Van deze zogenaamde 'kaekkantjies' gingen er 200 schoon en leeg mee aan boord. Na ongeveer zes weken voeren de visserlui met de dan volle kaaktonnen weer huiswaarts.

Verder lezen: 'De ontdekking van de zeekaak' – Warm Winter Fest – Katwijk, 19 januari 2018.

zaterdag 28 juli 2018

Een schilderij uit Parijs


Laatst bij de verhuizing kwam dat schilderij weer tevoorschijn, dat ik toen op de Place du Tertre heb laten schilderen. Je hangt dat niet op. Nooit. Dus heb ik het maar uit de lijst gehaald en opgerold. Scheelt een hoop ruimte.

maandag 23 juli 2018

Naar Parijs – even de Voorstraat uit

Avenue des Champs Élysées.

Het was de tijd (de tijd dat je 's nachts na het stappen om warme gevulde koeken ging bij Den Dulk, de tijd dat je uren in de rij stond bij het VVV-kantoortje onder aan de vuurtoren voor een kaartje voor de Stones, of voor Bowie; internet bestond niet en als je een brief moest tikken pakte je een typmachine, die tijd dus, van een krant en een vaste telefoon, aan de muur, met een draad, van de telefoon naar de muur) dat je voor het eerst naar Parijs ging. In een hip jasje met daaronder een T-shirt van The Cure. Met de nachttrein, die er wel acht uur over deed en langs al die Belgische en Noord-Franse stations kwam – Mons, St Quentin, Aulnoye –, waar iedereen in de gangpaden over elkaar heen lag. Midden in de nacht, bij de grens met Frankrijk, stond de trein ergens – het leek wel een rangeerterrein – heel lang stil en kwamen de grenswachten en gendarmes binnen, met kepies en norse gezichten en grote honden. Iedereen wakker maken, op zoek naar verdovende middelen. Maar die hadden wij zo goed verpakt dat ze niets roken. Teleurgesteld verlieten kepies en honden de trein. Je kon er jaren voor in de cel komen. Dus het was bloedlink. Ja, je deed wel meer domme dingen toen je jong was.

Bois de Boulogne.

Ach ja. Alles in je leven bepaalt uiteindelijk wie je bent en wie je worden zal. Het kan alle kanten uit. En het duurt even voordat je je draai gevonden hebt. Het beste is als je die draai nooit helemaal vindt. Dan blijft het leven één lange ontdekkingstocht.

Tour Eiffel.

woensdag 18 juli 2018

'Ons prinsesje' – De Voorstraat (17)


Aan het begin van de Hogeweg, alias de Heilige Berg, staat het huis met de naam 'Ons prinsesje'. Het werd in 1902 in opdracht van Jan Toorop ontworpen door architect Hendrik Jesse. Willem Wassenaar, een leerling van Toorop, ging er wonen.*

Jan Toorop.

De naam 'Ons prinsesje' kreeg het huis pas in 1909. Hiermee is Juliana bedoeld, die in dat jaar op 30 april het levenslicht zag. Een prinsesje waar lang naar uitgezien was, omdat zij het koningshuis moest redden.

Prinses Juliana met koningin Wilhelmina in 1914.

* Joyce Hoogeveen-Brink, H.J. Jesse, architect 1860-1943. Rotterdam, 1997, p. 40.


vrijdag 13 juli 2018

De Heilige Berg – De Voorstraat (16)


Dit is 'de Heilige Berg'. Zo genoemd om de dominees en de huisartsen die er woonden (en wonen). In de ogen van de Katwijkers waren (zijn) dat natuurlijk heiligen. In ieder geval halve heiligen.* Of dat nog zo is, weet ik niet. Nu woont er zelfs familie van me.

De Heilige Berg is de bijnaam voor de Hogeweg, die aan het einde van de Voorstraat parallel daaraan als een ventweg omhoogloopt en voorbij de splitsing met de Zeeweg weer omlaag gaat.

* Huisartsen en dominees beschikken immers over lichaam en geest. Er woonden (en wonen) ook notarissen, aannemers, architecten en andere notabelen. Katwijkers zeggen notabélen.

woensdag 11 juli 2018

Tandarts Mast – De Voorstraat (15)


Naast bakker Den Dulk,* aan de andere kant van het plantsoen, zat tandarts Mast. Dat was een deftig huis met een hoge hal. De hal was achter de voordeur die wat meer naar achteren lag rechts naast het huis, nogal verstopt. Op de foto hierboven achter de rechterboom. Later verhuisde de tandarts naar de Boulevard, naar een van de witte huizen bij de vuurtoren.** Als je in de tandartsstoel zat, keek je zo op zee. Als je er de kans voor kreeg. Ik weet nog dat ik daar iedere twee weken voor mijn beugel heen moest. Mijn moeder ging dan met me mee. De tandarts bewoog dan even met zijn hand, waaraan een tangetje vastzat waarmee de metaaldraadjes van mijn beugel verbogen werden, en klaar was hij. Het klusje duurde ongeveer een minuut. 20 gulden betaalde mijn moeder daarvoor. Iedere keer weer. Het kan ook 12 gulden geweest zijn, laat ik niet overdrijven, in ieder geval een heel bedrag in de tijd dat een huis op de Boulevard nog een ton kostte. Ik weet niet precies meer hoe oud ik was, toen ik voor mijn beugel langs moest, ik ben van 1961, maar ik weet nog wel dat het een enorme beul was, tandarts Mast. Van schrik heb ik hem een keer, toen ik mijn mond niet ver genoeg opendeed, dat zal het geweest zijn, denk ik, een klap in zijn gezicht gegeven.*** Daarna hoefde ik nooit meer terug te komen.****

* Van de slogan 'Wie heeft zulk, alleen T. den Dulk'.
** Officieel horen deze huizen niet wit te zijn, zoals het huidige appartementencomplexje Seinpost op de hoek Boulevard-Seinpoststraat.
*** Misschien dat ik een jaar of negen geweest ben toen het gebeurde plaatsvond, en ik denk dat die klap meer een afwerende duw geweest is.
**** Met mijn tanden die scheef stonden, is het vanzelf goed gekomen.

zaterdag 16 juni 2018

Over azulejo's


Echt iedereen gaat naar de Algarve tegenwoordig. Voor wíj gingen, moest ik nog naar de kapper. Ik ga nog steeds naar dezelfde kapper, in Leiden. Deze had net de haren uit mijn oren gebrand* – mijn oren gloeiden nog na en het rook naar verschroeid haar – toen ik in de spiegel mijn collega Sufyan zag langslopen. Een vreemde gewaarwording. Sufyan zie ik nooit bij de kapper, ik wist niet dat hij bij dezelfde kapper kwam als ik, maar het was wel nodig, want hij had een flinke, verwilderde bos haar. Zo had ik hem nog nooit gezien. Daarbij was hij ook een stuk bruiner geworden. Daarom riep ik: 'Ben je weer aan het graven geweest, in een ver land?' Hij is namelijk archeoloog en gaat wel eens in de grond zoeken in Oman. Of die contreien.
'Nee, ik kom net terug uit de Algarve, voor vakantie.' Hij wisselde een paar woorden met de kapper, toen hij zijn telefoon tevoorschijn haalde. 'Kijk, hier.'
Hij liet een kaart in Google Maps zien. Morenos, daar had hij gezeten. 'Maar dat is vlak bij waar wij naartoe gaan, iets onder Santa Catarina en boven Moncarapacho.'
'Er is een fabriekje waar ze azulejo's maken.' Hij liet me een filmpje zien.
'O, gaaf, dat wil ik ook wel zien. Hoe heet het? Waar is het?'
'In Morenos. En je moet ook naar Alcoutim. En dan met een boot naar de overkant, naar Sanlúcar, dan zit je in Spanje. Daar is een kasteel. Op een berg.' Je stak dan de Guadiana over, de grensrivier.'
'Wacht, ik schrijf het op. Morenos tegelfabriek en Alcoutim. Bedankt voor de tips. Leuk!'
Met een geknipt hoofd verliet ik de zaak.


Thuis vertelde ik dat ik Sufyan was tegengekomen, die ook in de Algarve was geweest. Iedereen ging tegenwoordig naar de Algarve. En dat we naar dat tegelfabriekje moesten en naar Alcoutim en dat kasteel. Dat was nog vóór Adri ons vertelde dat de twee hoofdpersonen in zijn boek Verborgen daar een rol spelen, in Alcoutim.



Alcoutim was uiteindelijk gemakkelijk te vinden, maar dat tegelfabriekje in Morenos... Als we inzoomden op de naam, kwam er verder niets in beeld dan alleen die naam en een bergweg en zoomde je nog verder in in Google Maps, dan had je alleen nog die bergweg en was er van de naam  niets meer over. Die loste op. Er was daar helemaal niets, net schuin boven onze quinta waar we logeerden. Maar Sufyan had het wel aangewezen op zijn telefoon. En het leek zo dichtbij. Een stukje over de N398 omhoog naar Santa Catarina, dan naar rechts over de N270, en dan de derde weg links, de M513-1. Die bergweg.


Het leek ons beter om zelf maar een fabriekje te zoeken. En dat lukte. Met wat googelen, op 'azulejo' en 'Algarve' en nog zo wat trefwoorden, vonden we er eentje vlakbij. Een fabriekje, een werkplaats, kun je beter zeggen. Want het gaat wel aan de lopende band, maar niet letterlijk. Zo zouden we later zien. Vanaf de quinta moesten we rechtsaf de weg omhoog – die kant waren we nog nooit geweest, terwijl we nu al voor de tweede keer hier waren – en dan nog een paar bochten en in een kwartiertje waren we er. We reden het terrein op en werden vriendelijk verwelkomd door de eigenaar van Terracota do Algarve. We mochten overal kijken, in de showroom en in de werkplaats. Maar wat een baan! Je zal hier werken! Niet iets om jaloers op te zijn. De ter plekke gewonnen rode klei wordt in een vormen gedaan op asbestplaatjes en daarna glad gestreken en dat doen die mensen dan de hele dag door. De plaatjes met de kleitegels worden ongeveer vijf dagen te drogen gelegd in rekken waarna ze gebakken worden. Hier volgen twee filmpjes over hoe die mensen aan het werk zijn.




Toen we weggingen, werden we weer vriendelijk uitgeleide gedaan door de eigenaar, die ons nog vertelde dat juist een week geleden de Nederlandse televisie was langs geweest. Hoe toevallig. Daarvoor moesten we maar even naar hun Facebookpagina gaan, die van Terracota do Algarve. Het was voor het programma Droomhuis gezocht, gepresenteerd door Sybrand Niessen. Wij zochten daar trouwens ook nog een droomhuis, in Olhao bijvoorbeeld, een leuk appartement om af en toe eens naartoe te gaan.

* Dat doet hij met een stokje met een dot watten erom gedraaid, die hij met spiritus of wasbenzine doordrenkt, aansteekt en tegen je oren slaat.

zaterdag 2 juni 2018

Rog


‘Hoe vind je dat nou? Dat wij ook naar die quinta gaan. Die foto van de kip heeft de doorslag gegeven voor Ineke.’
Adri appte mij een Katwijks zinnetje met een achteraan geplaatst bijwoord en of we dit soort grammaticaliteiten ook in het woordenboek opnamen en van het een kwam het ander. Ik stuurde een foto van een kip in de keuken met de mededeling dat we op de quinta zaten maar dat dat niks gaf.
Uurtje later hadden ze geboekt.
‘Wat leuk! Jammer dat wij dan alweer weg zijn.’ We hadden het over dat paleis in Estoi, hier vlakbij, en dat we aan de vis zaten in Tavira. Dorade en tonijn.
‘Tavira speelt ook een rol in mijn boek Verborgen en Estoi ook,’ appt Adri terug.


‘Die verse knoflook op de vis is zó lekker,’ zegt Wilma. ‘Wat zou dat groene spul zijn?’
‘Peterselie?’
‘Maar hoe vind je dat nou? Datte we ook die kant uitgaan?’
Ik vertelde alvast wat over de compound.
‘Mag je ook vijgen plukken?’
‘Ja, mag allemaal. We vinden het helemaal maf en leuk natuurlijk. Dat jullie deze kant op komen. Kunnen we na afloop, als we terug zijn allemaal, een avondje Quinta Corcunda met z’n vieren houden.’ Soort dia-avondje van vroeger.


Wilma poseert voor de veel te grote Citroën C-elysée die we gehuurd hebben. Gaat ook op de app.
‘Zo, blitse kar!’
‘Ja, we gaan ’m wel ruilen hoor. Te groot en te log met optrekken. Liever zo’n pittige Seat Ibiza.’
‘Staat de caravan rustig genoeg om lekker te schrijven?’ vraagt Adri.
‘Ja, helemaal apart. Een schrijvershut.’
Het is gezellig. Met een gezamenlijk reisdoel heb je veel te appen. In Fuseta, je mag het ook met een z schrijven, vanaf hier rechtdoor óver de kruising met de kustweg heen, daar kun je de lekkerste vis eten. We sturen een filmpje met daaronder: ‘In afwachting van de vis.’


Casa Corvo, en niet dat terras er vlak naast, daar moet je wezen. Daar zit het vol en staan de mensen in de rij, terwijl er op de andere terrassen nog ruim plek is. The winner takes it all. De ober die ons de eerste dag helpt heeft van die oud-Hollandse grapjes, dan tikt-ie je van achteren aan op je rechterschouder, knipoogt ondertussen naar je vrouw aan de overkant van de tafel en zet dan links van je de karaf met wijn neer. We eten zeebaars en zwaardvis. Giga vissen.
‘Mùrrege een rog. Die ben zòò gròòt. Mì-se twieje ete we die dan. Op.’
‘Rog, dat is mijn bijnaam. Van Beelen: hij is-t’r ien van de rog. Of van ’t rogje. Met De Vink hoefde dat niet. Ook niet met Grunstra.’*
‘Die mot je dan ààgelijk wel ete, de femilie indachtig.’
‘Ja,’ appt Adri, ‘dan moet ik in het Portugees om “um raio” vragen.’
‘Dat is goed, dat je dat zegt,’ app ik terug, ‘want we zagen net al een Duitse mevrouw vragen aan een tafel met Portugezen en ze kreeg in het Engels te horen dat die vis op tafel op een sole leek, een tong, maar dat is alleen hoe die zwemt over de grond. Raio onthouden we.’
‘Eu gostaria de comer um raio: ik zou graag een rog eten,’ appt Adri.
‘As ik maar uit m’n woorden kom. We schrijven het op.’


‘Gek, meestal eet je die van oktober tot en met december. Maar dat is in Nederland. In Portugal is het vast anders. En er zijn zo’n 450 verschillende soorten rog, dus je ken nog effe vooruit.’

Adri weet veel. Een wandelende encyclopedie. Hij krijgt gelijk. De volgende dag lees ik m’n briefje op.


En omdat we bij het filmen het eerste deel missen, nemen we nog een filmpje op. De ober speelt het spel voortreffelijk mee.



* De bijnaam Rog is nodig om de vele families Van Beelen (en Van Beele) die er in Katwijk zijn, uit elkaar te houden. Het is een functionele bijnaam. Zie hierover Leendert de Vink, Aan boord van een Katwijksche bomschuit in de achttiende eeuw. Het handschrift van Leendert Buijsertszoon van der Plas. Leiden 2012, pagina 11.

dinsdag 29 mei 2018

Dag lieve kip


Och kip, zondagmiddag toen je op de mat zat hebben we samen nog naar die mooie pianomuziek geluisterd. Pikte je af en toe nog een graantje. Verder zat je een beetje voor je uit te suffen, je ogen op een kier. Had je ooit wel eens zulke mooie muziek gehoord? Samen met je zus, of vriendin?
Iedere dag weer, we zaten nog aan de koffie of daar kwamen jullie al aangelopen. Voor de haver. Voor de gezelligheid. Lieve kip, lieve kippen. Tòòòk tok tok tok tok, tòòòk tok tok tok tok. Eén keer hadden wij nog niet opengedaan, waren wij een tikje laat en was het tik tik tik, tegen de deur. Zo uit het kippenhok, de eerste gang. Uitgebreide begroetingen iedere dag. Met diepe buigingen, van jullie en van onze kant: tòòòk tok tok tok tok, tòòòk tok tok tok tok!


Maar met jou, lieve kip op de mat, ging het niet zo meer. Je zat daar wat versuft. Pikte nog een graantje. Maar niet zoveel als je zus, of je vriendin, die vandaag alleen over was.
Heb je ooit wel eens zulke mooie muziek gehoord? Lieve kip? Op de laatste dag dat je bij ons was. In de keuken, op de mat.