vrijdag 1 juli 2011

Naxos

Een vrij onbekend eiland, maar toch het grootste van de Griekse cycladen. We waren er tien zonnige dagen in juni.
Ten westen van Naxos ligt Pharos, dat veel bekender is. Je komt erlangs met de boot uit Piraeus, bij Athene. Als de meeste toeristen op Pharos aan land zijn gegaan, is het nog een klein stukje naar Naxos.
De haven ligt onderaan langs Naxos-stad, dat tegen een heuvel is aangebouwd. Een prachtig gezicht als je aan komt varen, die berg van op elkaar gestapelde witte huisjes.


Als je inzoomt, wordt het nog overweldigender.


Een wirwar van straatjes leidt je naar het Venetiaanse Kastro boven op de heuvel. Dit is een ommuurd stadsgedeelte uit de middeleeuwen, met nog drie oude toegangspoorten. In het Kastro is een dertiende-eeuwse kathedraal, met boven het altaar een draaibaar paneel met daarop op de achterkant geschilderd een afbeelding van Johannes de Doper. Het verhaal hierbij is dat dit paneel als vlot heeft rondgezworven over de zeeën. Toen we in de kerk waren, draaide de kosteres de afbeelding heel geheimzinnig heel even tevoorschijn. Ondertussen steeds maar fluisterend: 'C'est Jean-Baptiste, oui, Jean-Baptiste, c'est Jean-Baptiste...' En wij maar aldoor heel devoot blijven knikken: 'Oui, oui...'


Op een eilandje dat met een dam met Naxos-stad verbonden is, staat nog poort van die rond 525 v. Chr. gebouwd is als ingang van een tempel voor de god Apollo. Om acht uur 's avonds gaat de zon precies aan de westkant door het midden van de poort onder en komt de maan aan de oostkant op. Zo heb ik het me laten vertellen, maar ik moet zeggen, dat hebben ze dan destijds wel goed uitgekiend.


Iets zuidelijker van Naxos-stad, in Agios Prokopios hadden wij ons onderkomen, met prachtig uitzicht op het strand recht voor ons en, wat verder naar het zuiden, de badplaats Agios Anna. Van het zwembad hebben we eigenlijk alleen de eerste twee dagen gebruik gemaakt, want het was veel lekkerder om in de zee te zwemmen. Warm en kristalhelder water, en goed zout, want je bleef er goed op drijven.


Ook op het strand was het goed toeven. Altijd zonnig met een lekker windje, maar wel zo heet dat een parasol geen overbodige luxe was. Grote korrels zand, van twee tot drie millimeter, even wennen aan je voetzolen, maar lekker als je je had ingesmeerd, want de aangeplakte korrels kon je zo van je afslaan. En ook al stond er soms aardig wat wind, stuiven deed het nooit.
Naakt en gekleed, rijp en groen, alles ligt hier naast en door elkaar, zonder problemen te maken, en zonder mannetjes die met verrekijkers in de zeereep lopen te loeren. Er is niet eens een zeereep, zo vlak is het allemaal.


Op de plek waar wij lagen, was een kuil, versierd met houtjes en de witte skeletten van de zeekat (die lijken op witlof, het is het spul waaraan kanaries hun snavel scherpen). Iedere dag in de namiddag ging er een oude Griek in liggen. Maar voor hij ging liggen, pakte hij zijn schepje, om de kuil wat bij te werken, en legde hij er weer wat strandvondsten bij of fatsoeneerde de spullen die er al lagen. En niemand die die kuil aanroerde of het schepje probeerde mee te nemen. Een huis van zand, dat er misschien al weken- of maandenlang was. Heel ontspannen.

's Avonds slenterden we langs het strand en langs die kuil naar het restaurant. Je gaat er de eerste keer naar binnen omdat het een van de weinige restaurants is waar ze je niet naar binnen lokken, ook niet als je de menuborden nog staat te bestuderen. Je besluit er nog eens te gaan eten en algauw blijkt dat het, misschien juist door die bescheidenheid, gewoon een heel goed restaurant is, met een hele goede keuken, waar je, niet voor niets, iedere avond veel dezelfde gezichten ziet, allemaal aan hun vaste tafeltjes, voor zover dat lukt. 'Kijk, daar heb je die weer, en dat stel van gisteren, en dat gezin dat na het eten altijd gaat zitten kaarten.' Ook wij hadden zo'n tafeltje, of eigenlijk twee van die tafeltjes naast elkaar, zodat je allebei tegelijk naar de zonsondergang kon kijken, iedere avond weer.


En als je je camera een beetje stil houdt en niet flitst, levert dat dan prachtige plaatjes op van zomerse gezelligheid en in de verte het inmiddels diepblauwe water, waarin de zon nog maar net is nedergedaald. Sunset heette het, dit restaurant in Agios Prokopios. Direct aan zee. We aten er de heerlijkste vis en dronken er de heerlijkste wijn. Het leven was nog nooit zo mooi.

(wordt vervolgd)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen