zaterdag 16 augustus 2014

Op het schrijversstrand (3)

Het was een eind lopen, voor de familie Wolkers, om op het Katwijkse strand te komen. Helemaal uit Oegstgeest vandaan. Als ze liepen was dat omdat het zondag was en omdat ze op die dag niet met de tram mochten. De tocht wordt beschreven in het verhaal 'Dominee met strooien hoed' in de bundel Gesponnen suiker.

De wandeling begint in de Deutzstraat, waar ze wonen op nummer 7 en waar vader Wolkers zijn winkel in koloniale waren had. Het is nog vroeg in de ochtend. Ze steken over bij de splitsing met de katholieke kerk. Als ze er voorbij komen gaat deze net uit. 'Kijk, die smerige roomsen zijn er altijd vroeg bij, hoorde ik vader zeggen. Die hebben wel wat over voor hun dwaalleer.'
Daarna gaat het verder helemaal de Rhijngeesterstraatweg en de Dorpsstraat door tot over de brug bij het Groene Kerkje. Het is een hele optocht, met de drie kinderen, Jan en zijn broer en zus, voorop, en vader en moeder met de kinderwagen met de baby daarachter.  Bij de brug gaan ze 'meteen linksaf een pad op dat vlak langs het water liep. Het was een smal hol pad dat door vissers en tuinders in het gras en de kleigrond was uitgesleten.'

Het pad langs het water. Over de brug met de A44 is molen
'De hoop doet leven' zichtbaar, nog geschilderd door Monet.

De situatie in 2014. Het pad is er niet meer. Iets naar rechts is een fietspad dat onder
de A44 door gaat. Na de tunnel buigt het fietspad af naar links en dan naar rechts en
loopt verder langs het Oegstgeesterkanaal. De molen van Monet kon door de
oprukkende bebouwing van de bloemenveiling niet langer blijven staan
en is verplaatst naar een plek langs de Haarlemmer Trekvaart bij Voorhout.

Dat water is het Oegstgeesterkanaal. 'Hoe dichter we Rijnsburg naderden, hoe meer rotte uien er in het okerkleurige water dreven, tussen de eilanden van algen, die door de zon aan de bovenkant lichtgeel waren geworden. Soms schoot er een school rietvoorns tussendoor, waarvan alleen de rode vinnen zichtbaar waren.' Als ze bij de bloemenveiling komen, liggen er 'zoveel bossen bloemen in het water dat het de weerspiegeling leek van een tropisch oerwoud.'

Voorbij de tunnel. Het pad langs het water is nu een heerlijk fietspad,
waar je lekker overheen kan zoeven als je de wind in de rug hebt.

Een eind voor de brug waarover de stoomtram aan komt rijden, blijven ze staan. Als ze de rails oversteken, is 'er van de stoomtram alleen nog maar de achterkant te zien, een klein ijzeren balkon vol witte jurken en kleurige strikken dat in een wolk van stoom de groentevelden inschoot.'
Voorbij de rails wordt het pad breder en loopt het ook niet meer langs het water. Ze lopen dan waar nu industriegebied 't Heen is. Het is nog ver voor de oorlog. 'De groentevelden waren aan weerszijden aan het oog onttrokken door grote vlierstruiken, waarvan de toppen soms over het pad heen in elkaar groeiden, zodat het als je in de verte keek was of je door een holletje in je hand tuurde. Onder de vlieren groeiden hoge brandnetels en braamstruiken.'


'Halverwege het pad stonden twee kalkovens. Vreemde lichtgrijze bouwwerken, met het lijf van een molen, een rond dak waaruit in het midden een dikke pijp groeide. Ze leken nog het meest op grote flessen, maar konden ook door termieten gebouwd zijn.' Als Jan en zijn broer erlangs komen, stoppen ze hun zakken vol met schelpen.

Er is nog één kalkoven over. Een eenzaam monument.
In combinatie met de tweede oven is op deze plaats tot
1971 door de N.V. Kalkfabriek 'Rijnland' schelpkalk
gefabriceerd. Bron: ANWB-bord.

Ze komen al dichter bij zee. 'Achter de bomen waren de duinen nu vlakbij gekomen. De eerste groen, met fris, kort gras, als bulten weiland, waar rechthoekige stukken omgespit leken, door de roodbruine netten die er te drogen lagen.' Dat moet het wantveld geweest zijn, waar ze langskomen. 'Daarachter de echte duinen, blauwgrijs van helm en duindoorns. Links was het kanaal ineens weer vlak naast ons gekomen, maar in de diepte, zodat ik aan de ansichtkaarten moest denken die tante Jo ons uit Zwitserland gestuurd had.' Dat kanaal in de diepte zal de binnenwatering zijn.
Dan, na heel lang lopen, zijn ze bij het strand. 'Ineens was er het zachte ruisen van de branding. De lucht hing vol kleurige vliegers. Vanachter de behelmde duinenrij klonken vrolijke stemmen, zo helder, dat de hemel van glas leek.' En moeten ze oppassen met oversteken. 'Gelijk oversteken, zei vader. Die automobilisten vliegen hier maar met een vaart van veertig kilometer voorbij of ze alleen op de wereld zijn.' Toen al. Voor ze op het strand zijn, rent Jan alvast vooruit, de basaltblokken van de uitwatering op, waar hij bij de vissers blijft staan kijken. Ze gaan linksaf het stille strand op, waar het ondanks het vroege uur al druk is.
In het verhaal gaan Jan en zijn zus die ochtend dan eerst met vader naar de kerk. Zijn broer en moeder met de baby blijven achter op het strand. De rest van de dag maakt Jan nog van alles mee in de duinen en op het strand. Hij komt die middag ook de dominee weer tegen, met een strooien hoed op en een badpak aan. 'De bandjes van zijn badpak waren zo ver omlaaggeschoven dat zijn twee donkerbruine tepels zichtbaar waren waar zwarte haren uit krulden, zijn handen lagen op zijn dijen met de handpalmen naar boven gedraaid.'

Is er nog meer herkenbaars in het verhaal 'Dominee met strooien hoed'? Jazeker. Want wie herinnert zich niet de blauwe bordjes achter het prikkeldraad in de zeereep waarop in witte letters stond: VERBODEN ZICH IN DE HELM TE BEVINDEN. Waar zijn ze gebleven? De M op de bordjes werd vaak weggekrast. En de tenten op het strand, ver voor mijn eigen tijd, hebben oranje met witte strepen. Dat brengt dan nog wat kleur in de zwart-witfoto's van die tijd.

Zwart-wit foto's uit Jan Wolkers, Werkkleding. Amsterdam [enz.], Elsevier, 1971, p. 21.
Citaten uit Jan Wolkers, 'Dominee met strooien hoed', in Gesponnen suiker. 20e dr. Amsterdam, Meulenhoff, 1967, pp. 9-48.

1 opmerking: