maandag 15 september 2014

Op het schrijversstrand (6)


Kijk, de bungalow van de gemeentesecretaris staat er nog steeds, boven op het duin, waar Maarten ooit z'n meisje ophaalde. Wacht, we halen 'm even dichterbij.


Wordt het niet tijd voor een plaquette, naast de voordeur?

Ook al is het verhaal net even anders. Of toch niet... Dan heeft de schrijver het wat aangedikt. Het staat in de bundel Het roer kan nog zesmaal om, in het verhaal 'De man Gods uit Juda'. Het blijkt daarin niet om de dochter van de gemeentesecretaris te gaan maar om de dochter van een ouderling. De schrijver vertelt dat toen hij ging studeren in Leiden zijn oom eens moest preken in Katwijk en hij en zijn tante met hem meegingen. Na de kerkdienst gaan ze koffiedrinken. Die wordt 'ditmaal geserveerd bij een ouderling die een riante bungalow op een duintop bewoonde. Dadelijk nadat wij de woonkamer binnenkwamen, zag ik dat er een levensgroot naakt aan het schone metselwerk hing. Mijn tante verbleekte, ging er demonstratief met haar rug naartoe zitten, trok mijn oom haastig naast zich zodat hij niet in velerlei verzoeking zou worden geleid. Voor mij restte toen slechts een plaats tegenover het schilderij, maar ik had er nauwelijks oog voor, keek alleen maar naar de donkere, fraaie, nogal droevig en melancholiek ogende dochter – een meisje van mijn leeftijd [...].' Later maken de families een strandwandeling en lukt het Maarten om met het meisje door wat sneller te lopen ver vooruit te komen, los van de groep. Maarten is verliefd op het meisje, maar kan haar niet krijgen, want ze heeft al een verkering, maar dat ligt allemaal heel ingewikkeld, want er is een kerkscheuring aan de gang en die verkering is daardoor in de andere groep terechtgekomen, aan de andere kant van de scheur.

Maar goed, ze lopen over het schrijversstrand. Zoveel is zeker. En de bungalow, waar de schrijver door de blik van de dochter van de ouderling gevangen werd, is er ook nog steeds. Toch maar een plaquette?

Bron: Maarten 't Hart, 'De man Gods uit Juda', in: Het roer kan nog zesmaal om. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1984, pp. 198-246.

Met dank aan Peter van Duijvenboden voor het aanreiken van de bron.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen