dinsdag 28 november 2017

De tricolore – De Voorstraat (8)

De tricolore van Haasnoot.

Vlak voor het politiebureau had je, en heb je, aan dezelfde kant van de straat, de firma Haasnoot, met een meubelzaak.* Aan de overkant van de straat, in het oude postkantoor, hadden ze, en hebben ze, ook een meubelzaak. Ze verkochten er al die eikenhouten kasten en bankstellen die toen in Katwijk in de mode waren.** Uit balorigheid hebben we er een keer de Franse vlag van de gevel gehaald. Die moeten ze wel gemist hebben, want er hing een hele rij vlaggen, van allerlei landen, en deze hing aan het begin, gezien vanuit het oosten, dus vlak naast het politiebureau. Het hoorde natuurlijk niet, en het valt niet goed te praten, een vlag van de gevel plukken. Maar je was jong, in een dorp, waar verder niet veel te beleven viel. En het was midden in de nacht, na het stappen, onderweg naar Den Dulk, voor een paar gevulde koeken, warm, die ze voor de zaterdagochtend aan het bakken waren.
Die vlag hing best wel hoog, en niet aan de gevel, wat ik zojuist nog wel beweerde, maar aan de rand van een overkapping, wel anderhalve meter van die gevel af, dus stond je als een vriend van je je met zijn handen een voetje*** gaf, flink in een onbalans. Als je op die handen stapte, moest je gelijk zijn schouders grijpen en dan in één beweging omhoog en dan meteen de rand van de overkapping pakken om direct daarachteraan de vlag uit z'n houder te halen. Je duwde hem als het ware nog wat verder de lucht in. De tricolore! De tricolore... ligt nog altijd netjes opgevouwen in m'n kast.

* Op de plek waar in het vorige bericht links van het politiebureau dat huis en die paar schuren stonden.
** Geloogd massief eiken uit Oisterwijk. Waarvan verhalen rondgingen dat er beton in zat, zo zwaar was dat.
*** Ik denk dat we zo'n voetje een handje noemden: 'Geef effe 'n handje!' was het.

woensdag 22 november 2017

Proefrijbewijs – De Voorstraat (7)

Het vroegere politiebureau aan de Voorstraat, nu Katwijks Museum.*

Wat verderop in de Voorstraat zat het politiebureau, in wat nu het museum is. In een kamer voor in het gebouw, met ronde ramen, ik bedoel ramen van gebogen glas, zaten tegenover elkaar twee agenten. Daar haalde ik m'n proefrijbewijs voor m'n scooter op waarmee ik met een blauw bordje met een witte L achterop door het dorp mocht rijden om te oefenen. Tot je echt af moest rijden. Ik denk dat ik in Katwijk in 1982 de enige met een motorscooter was. Voordat het een politiebureau was, was het het huis en kantoor van reder Meerburg. Door een zijraam kregen de vissers hun loon uitbetaald. Dan bleef de boel netjes.

* Er is veel te zien op de foto van het politiebureau: de dienders met hun degelijke fietsen, klaar om aan hun ronde te beginnen, de spelende kinderen op de stoep, een vrouw die net haar fiets neerzet of weer weg wil gaan bij de ingang en onder het raam waar de vissers hun loon kregen uitbetaald, de muur van de erfafscheiding die opnieuw is opgemetseld en behalve de klimop ook nog twee vriendelijke plantenbakken bij de ingang. Links naast het bureau staat een huis en daarachter een paar schuren. Op die plek staat nu de meubelzaak van Haasnoot.

zondag 19 november 2017

Wonen – De Voorstraat (6)


Wonen in de Voorstraat had bepaald wel sfeer. Zo'n winkelstraat, vooral op zaterdag. Dan kon je als je uit je raam keek, bijna op de hoofden lopen. Zo druk was het. Maar om vijf uur, als de winkels dichtgingen, was het in één klap uitgestorven. Een gans lege straat. Iedere week weer een hele bijzondere ervaring.

Ook het opstarten van zo'n straat en opengaan van de winkels 's ochtends vroeg was mooi om te zien. Deuren die van het slot af gingen, borden die buiten gezet werden, hier en daar nog een winkelruit die gezeemd werd, een stoepje geveegd. Laat maar komen, die klanten.

Bij het Valutahuis, dat was de sigarenboer, zag je altijd als eerste de mensen naar binnen gaan, vooral mannen, om een krant en om shag. Voor de deur stond soms nog een brommer te draaien.


Jammer dat ik er maar zo kort heb gewoond, aan de ene kant, aan de andere kant ook niet erg, want Jamin was weg en al die andere mooie panden die er aan de overkant van de Badstraat gestaan hadden. Dan zou je dat vreselijke badcentrum voor je neus krijgen.

woensdag 15 november 2017

Hofnar – De Voorstraat (5)


Als je van de kant van de Boulevard de Voorstraat in kwam, kon je 'm niet ontlopen, na de winkel van Van der Velden, de banketbakker,* dat zijraam van het Valutahuis, helemaal gevuld met die vent met die gemene kop. Waar is die ruit gebleven?

Dit is wat ik vind op internet. Maar de ruit had een zwarte achtergrond en er stond in plaats van HOFNAR waarschijnlijk WILLEM II.

En dat is wel weer frappant. Ook deze kop leek ook weer erg op dat hoofd van de sigarenboer** die in de winkel stond. Net als die Meneer Jamin van schuin aan de overkant op de hoek met de Badstraat die op Ton van Duinhoven leek. Zou het zo zijn dat winkeliers gaan lijken op de meneer of mevrouw in de reclame voor wat ze verkopen? Zoals baasjes vaak op hun hond of paard lijken.

* Waar later Krijn Verdoes in gekomen is. Die zat eerst waar nu boekhandel Het Baken zit, op de hoek van de Secr. Varkevisserstraat en de Drieplassenweg.
** Jaap van Rijn.

zaterdag 11 november 2017

Meneer Jamin – De Voorstraat (4)


Bij Jamin werkte destijds, toen het pand nog fier overeind stond, een dove of doofstomme man, ik denk dat hij er de baas was. Het gekke was dat hij verdacht veel op Ton van Duinhoven leek. Zouden dat expres gedaan hebben, iemand die eruitzag als Meneer Jamin van de reclame in zo'n winkel zetten? Zou dat in het hele land zo zijn, bij alle vestigingen, overal lookalikes van Meneer Jamin?

Hieronder twee reclamefilmpjes met Meneer Jamin uit 1972.


zaterdag 4 november 2017

Bij Herman van Veen in Carré


Gisteren waren we in Carré, bij de nieuwe show van Herman van Veen. Wat een artiest! Wat hebben we genoten. Ook van de artiesten om hem heen, mooie combinatie van jong en oud. Al 52 jaar volle zalen!







dinsdag 31 oktober 2017

De sloop – De Voorstraat (3)


Je kon het voorspellen. Met het pand van Jamin en Den Hollander's Kruiderij ging het hetzelfde als met al die andere panden in Katwijk. De ene dag een brandje, wel of niet aangestoken, de volgende dag de sloop. Het kan ook een paar dagen later geweest zijn dat ze gingen slopen. En er was niet altijd een brandje voor nodig om te slopen. Maar wat zullen ze in hun handen gewreven hebben, de wethouders, de projectontwikkelaars. Ze konden door. Het hart was eruit. Dat mooie, kloppende hart van Katwijk, dat plaats moest maken voor foeilelijke, nietszeggende jarentachtigarchitectuur.

zaterdag 28 oktober 2017

De brand – De Voorstraat (2)


Om de sloop een beetje te helpen gingen panden in Katwijk meestal vooraf nog gauw even in brand. Tenminste, zo werd erover gesproken in het dorp. Een slooppand kon heel lang leegstaan, maar als de jeugd zich er eenmaal toegang toe had verschaft en er brand ontstond, werd het vaak de volgende dag nog afgebroken. Het was alsof die jeugd gestuurd werd, maar door wie? De wethouders, die de sloop van al die mooie panden maar al te graag wilden bespoedigen? De projectontwikkelaars, de aannemers? Weg is weg, dachten ze. Dan kunnen we bouwen. Je kunt ook wat anders denken na het zinnetje 'Weg is weg': al dat moois, het komt nooit meer terug!



Zo ging het die avond in 1982 ook met het pand van Jamin en Den Hollander's Kruiderij. Er was rook. Er waren zwaailichten. Slangen werden uitgerold. Daar was de brandweer. Ik kon het allemaal zien. Eerste rang. Drukte. Beweging. Oploop. Een ladderwagen. Zo voor mijn raam, het raam aan de Badstraatkant van mijn hoekkamer. Jamin en Den Hollander's Kruiderij stonden in de fik.


woensdag 25 oktober 2017

De Voorstraat (1)

Het straatnaambord dat alles gezien heeft. We zijn er vroeger heel vaak langs en onderdoor gelopen.

Ooit woonde ik in de Voorstraat. Net als Willem Duinen en Anna Boomakkers, de dochter van de groenteboer uit De familie Duinen. Eigenlijk moet ik zeggen dat ik op de hoek van de Voorstraat en de Badstraat woonde. Want ik betrok er een hoekkamer. Boven de kledingzaak van Henny's Rits, waar voor mijn tijd De Gruyter zat. De ingang van het pand bevond zich in de Badstraat. Verderop in die straat was het portiek waar Willem en Anna elkaar voor het eerst kusten.*

Ik heb er veel meegemaakt. Het nieuwe winkelcentrum** rukte op. In de zanderige vlakte met hier en daar wat losse stenen puin stond alleen het pand van Jamin nog overeind, met daarnaast een soort van drogist onder de naam Den Hollander's Kruiderij. Weldra, als ook deze panden gesloopt zouden zijn, zou ik uitzicht op zee hebben. Net als op de derde verdieping van mijn ouderlijk huis. Daarvoor hoefde je niet op de boulevard te wonen. Mijn ouderlijk huis bevond zich in de Zuidstraat, bijna even ver van zee als waar ik nu woonde.

Het pand van Jamin was aan de Badstraatkant. Aan de Voorstraatkant van mijn kamer had ik uitzicht op een makelaardij met daarnaast een Albert Heijn. Handig als je trek kreeg. Onder de overkapping van de supermarkt stonden iedere avond mannen elkaar sterke verhalen te vertellen, te roken en op de grond te spugen. Dikke fluimen. Vooral als ze de tabak pruimden. Om een uur of negen gingen ze uit elkaar om naar hun huizen te gaan.

In de tijd van de sloop van al de panden in de Badstraat is ook het straatnaambord VOORSTRAAT van de muur gevallen, de muur van de makelaardij. Een straatnaambord dat alles gezien heeft. Het hangt bij mij in de hal, als herinnering aan een voorbije tijd.

* Adri van Beelen, De familie Duinen. Kroniek van Katwijk, Leiden, Primavera Pers, 2017, p. 38.
** Het wordt ook wel badcentrum genoemd, al weet ik niet of dat een officiële naam is.

zaterdag 21 oktober 2017

Adri signeert!


Vanmiddag bij boekhandel Het Baken, Secr. Varkevisserstraat 37 te Katwijk aan Zee, van 14.00 tot 16.00 uur. Met een handtekening van de schrijver of nog een paar woorden meer, wordt zo'n boek over de familie Duinen ook een heel persoonlijk boek!

vrijdag 13 oktober 2017

De familie Duinen is nu een boek!


Vanavond mocht ik uit handen van schrijver Adri van Beelen het eerste exemplaar van De familie Duinen. Kroniek van Katwijk ontvangen.

En ik ben blij dat het er is. Ik was al een tijdje fan. Vanaf 2015, toen het als feuilleton in De Katwijksche Post verscheen. 'Om z'n sfeer, z'n goeddorpse sfeer, de verbeelding van het gewone, op zo'n manier opgeschreven dat het allemaal zomaar vanzelf lijkt te gebeuren. Dat is waardoor ik erdoor gevangen raakte,' schreef ik op 9 juni van dat jaar. 'Al die afleveringen achter elkaar, dat is zo mooi, dat leest al helemaal als een boek.'

En nu is het dat ook echt. Een boek. En heb je alles bij elkaar. De hele geschiedenis van de familie Duinen. En daarmee ook de hele geschiedenis van Katwijk. Door de ogen van Willem Duinen. Al die plekken en gebouwen die passeren en die het dorp zijn eigenheid gaven, er niet meer zijn, maar in het verhaal opnieuw tot leven komen. Je bent weer eventjes binnen in het weeshuis, het gasthuis, noem maar op. Al die straten en stegen. Je loopt erdoorheen. De groenteboer waar Willems vrouw Anna werkt en waar alle nieuwtjes verteld worden. Waar de hele wereld binnenkomt.

Heel knap hoe Adri van Beelen je dat allemaal laat meebeleven. Met veel warmte opgeschreven. Dit boek is zo mooi! Je kunt erin wegdromen, in wegraken, wegverdaege, zeggen ze in Katwijk.


Uit de folder:

De familie Duinen. Kroniek van Katwijk

Deze kroniek van de Katwijkse familie Duinen begint in 1922. Het verhaal neemt de lezer vervolgens mee door de afgelopen eeuw tot aan de nieuwjaarsnacht op de drempel van het nieuwe millennium. Adri van Beelen plaatst de lotgevallen van de Duinens tegen de achtergrond van het wereldgebeuren. Alles komt voorbij: de crisisjaren, de Tweede Wereldoorlog, de wederopbouw, de roerige jaren zestig en zeventig, de zakelijke jaren tachtig en negentig. Met liefde en groot inlevingsvermogen beschrijft Van Beelen de kleine levens van de Katwijkers, zowel die van de oudste generatie ('Nooit van Kattek weg-eweest, gelokkig'), als die van de  jongeren. Ook in hun bestaan speelt het dorp nog steeds een hoofdrol.

De familie Duinen verscheen eerder in feuilletonvorm in De Katwijksche Post.

Beschikbaar vanaf vrijdag 13 oktober
Uitgave: Primavera Pers, 160 pag.
ISBN 978-90-5997-252-0
€ 14,50

zaterdag 7 oktober 2017

De UNI (2)

Dit is wel de braafste foto die ik van mezelf heb.

Na het trommelen heb ik nog een blauwe maandag tuba gespeeld. Liever had ik trompet gespeeld, maar er was op dat moment geen trompet voorhanden. Een trompet, dat was m'n droom, instrument met de grootste dynamiek, die reikt van het schetterende geluid in een brassband tot de zoetgevooisde klanken van Chet Baker.
De tuba mocht je wel mee naar huis nemen. De buren zullen er wel gek van geworden zijn. Je kunt het niet op een plankje doen, zoals bij het trommelen, en een koptelefoon heb je er niet voor. Misschien inmiddels wel.
Maar zoveel herrie als een trompet* maakt een tuba niet. Ik vond het maar saai, en dus hield ik ermee op. Trommelen ging ik ook niet meer. Een trompet, ja, dan had het misschien nog wat geworden met mij, bij de UNI.

* Op het orgel na, maar dat zijn in feite heel veel trompetten bij elkaar.

dinsdag 26 september 2017

De UNI (1)


Zo'n veertig jaar geleden zat ik op de UNI, de Christelijke Muziekvereniging Uitspanning Na Inspanning. Ik trommelde. Dat was iedere woensdagavond. Dan liep ik van de Zuidstraat achterom via de Willy Sluiterstraat en de Schelpendam naar de Wethouder D. Ouwehandstraat, waar, net voor de Parklaan, in een inham, de UNI-zaal was. Aan het begin van de avond was het altijd een beetje voor jezelf trommelen. Dat was een gigantische, ongeorganiseerde herrie. Tot we echt gingen beginnen, met het oefenen van marsen en lopen.

Overzicht van de tekens voor de verschillende soorten slagen voor in het schrift.

Die marsen moest je uit je hoofd leren. Daar hadden we een soort spijkerschrift voor. Zo noemde je dat. Geen noten. Elke regel moest je twee keer spelen. Taratátatatátatátatá taratátatatátatám, taratátatatátatátatá taratátatatátatám. Twee keer hetzelfde. Dat heb je niet door als je langs de kant van de weg naar een muziekkorps staat te kijken, maar zo zit een mars in elkaar. Om hem te leren hoefde je die regel natuurlijk maar één keer op te schrijven. In je schrift.




De marsen zijn genummerd met Romeinse cijfers. Als de tambour-maître
met de punt van zijn mace omhoog wees, moest je opletten, want dan wist je
dat er (na de blazers) een nieuwe mars aankwam die gespeeld moest worden.
Daarna hield hij de mace horizontaal en gaf daarboven met zijn vingers aan
welk nummer. De tambour-maître is eigenlijk een soort dirigent.

Dat schrift heb ik nog. Als ik er even op ga zitten, kan ik ze zo weer spelen: de Hollikideemars, de Stokkenmars – met veel slagen op de stokken* –, de Schotse Mars, de Bejamars – die mars met die vreemde naam, genoemd soms naar een van de majorettes?** –, de Pauke[n]mars, de Jubileummars... in totaal zo'n veertien marsen. Je had een teken voor een drieslag – tata-tam –, een vijfslag – tata-tata-tam –, en een zevenslag – tata-tata-tata-tam. Eigenlijk zijn dat langzame roffels met op het eind een enkele linker- of rechterslag. Je kan namelijk rechts of links beginnen, met zo'n drieslag, vijfslag of zevenslag. Omdat ze oneven zijn, kom je altijd bij de andere hand uit. De slagen vóór de laatste, losse slag zijn dubbel.*** Maar daarvoor hoef je je trommelstok maar één keer te laten vallen. Want als de stok op het trommelvel komt, laat je hem één keer stuiteren. Dat is de overeenkomst met de roffel, maar daarbij begin je altijd rechts. Ook bij een roffel laat je de stokken om beurten stuiteren. Bij elke slag geef je dus twee slagen. Maar dan snel achter elkaar, heel snel. Tot er één (lange) ruis ontstaat, zoals in een circus, als het spannend wordt. Ook bij de roffel heb je op het eind een enkele, losse slag. Een roffel kan overgaan in een drieslag, vijfslag of zevenslag. Dat kun je allemaal in dat spijkerschrift aangeven.

Mijn trommelstokken heb ik nog.

De roffel, daar begon je mee als je bij de muziek kwam. Alleen maar roffelen, iedere dag. Niks anders.**** Ik denk dat dat wel een paar maanden duurde. Dan kon je aardig roffelen en kon je met de marsen beginnen. Het meeste deed je thuis, op zo'n ronde kaasplank met daarop een stukje vinylzeil gelijmd en rondom met tapijtspijkertjes vastgezet. Op een echte trommel zouden de buren gek worden. Daarop mocht je in de UNI-zaal spelen, voorspelen, vroeg in de avond, voor de tamboers kwamen om de marsen te oefenen. Dat moest bij Wim Sip, de tambour-maître. Zaterdagochtend kreeg je extra les op de Bestevaerweg, bij Hans Plug. Die had ook een echte trommel thuis staan – ik denk dat de buren daar rekening mee hielden. Daar leerde je ook de drieslagen, vijfslagen, zevenslagen, negenslagen en de dubbelslag en ook alvast de marsen, voor later als je mee mocht lopen.


Normaal liep Hans met de grote trom. Hij zat al heel lang bij de UNI. We hebben hem nog eens voor de grap op zo'n paaltje aan het begin van een fietspad laten knallen, door als laatste rij trommelaars – we liepen met z'n vieren en ik liep rechtsachter – vlak voor dat paaltje uit elkaar te gaan. Hans liep daarachter met de grote trom. Ik herinner me ook nog een keer dat het trommelvel van de grote trom scheurde en die hele stok met vilten bol in de trommel verdween. Ja, het was altijd erg gezellig bij de UNI. Ik heb ook wel eens het verhaal gehoord dat er een deksel losbrak van de pols van de man die met de deksels liep en door de lucht scheerde net over het publiek heen. Maar dat was voor ik bij de UNI kwam.

De Christelijke Muziekvereniging Uitspanning Na Inspanning
voor de KW 88 bij de vuurbaak op 9 juni 1980.

Nadat we getrommeld hadden op woensdagavond kwamen de majorettes en dan bleven we altijd kijken. Als die klaar waren, gingen we wat drinken en patat eten in de patattent van Jaap Bax in de Tramstraat. Die stond daar in het midden op een soort eiland, want aan de achterkant van de patattent liep de Havenstraat en had je aan de overkant op de hoek de lampenwinkel van Schaart, en aan de voorkant liep de Tramstraat. Tegenover de patattent was de Casa Cara, de discotheek.


In Sporthal Cleijn Duin hadden we onze jaarlijkse uitvoering.

Dat het zo gezellig was bij de UNI kwam ook omdat ze een eigen zaal hadden. De UNI-zaal was ooit door de leden zelf gebouwd, in 1948. Eén keer in het jaar hadden we daar een feestavond en met kerst was er altijd een rad van avontuur met kerstboutverloting. Ik denk dat het vlees bij slager Bert van der Plas vandaan kwam, niet bij 'Keurslager' Just Vooijs. Want de UNI was altijd gewoon, bleef altijd zichzelf. Het was er in ieder geval veel gezelliger dan bij de DVS (Christelijke Muziekvereniging Door Vriendschap Sterk), de grote concurrent. Daar was het allemaal heel strak en militaristisch. En had je ook geen majorettes. Wij zagen er ook helemaal niet militaristisch uit in die tijd. We hadden gele met bruine pakken. Dat vonden we zelf ook verschrikkelijk, die poep-en-pieskleuren. De majorettes liepen in oranje pakjes voorop, die zagen er wel leuk uit. Tussen de UNI en de DVS was het zo'n beetje het verschil wat je had tussen voetbalvereniging Katwijk en Quick Boys. In die tijd dus. Dat zeg ik er maar even bij, want je moet voorzichtig zijn met dit soort uitspraken. Je had ook nog de Harmonie (Muziekvereniging Harmonie Katwijk) uit Katwijk-Binnen, maar die zaten alleen maar als ze speelden. Terwijl het er nou juist om ging om door de straten te lopen. Het leukste was als we ergens een aubade moesten brengen, voor korpsleden die bijvoorbeeld 40 of 50 jaar getrouwd waren. Dan marcheerden we dwars door het dorp, zonder dranghekken of politiebegeleiding of wat ook, zo door de straten. Een spontane actie, zou je dat tegenwoordig noemen. Tot we bij de plek waren waar de aubade gebracht moest worden. Daar stelden we ons dan op op de straat en tegenoverliggende stoep voor het huis en de voordeur in kwestie en kwam het jubilerende paar naar buiten. Om wat muziek aan te horen, afgesloten met 'Lang zullen ze leven!'. We zijn ook nog eens naar het oude hotel Savoy gemarcheerd om binnen een aubade te brengen. Dat verliep nogal chaotisch met een heel korps in de dan wel krappe ruimte. Het bloemencorso was ook altijd leuk. Lekker lopen en afwisselend met de blazers trommelen en de majorettes voorop. (Zo'n korps, met de majorettes voorop en dan de tamboers en daarachter de blazers, was al een optocht op zich. Het leek wel een processie.) Op een bepaald punt, net waar je van de Rijnmond in het noorden de Boulevard op kwam, voorbij hotel Savoy, hadden we pauze en zouden we fanta of cola krijgen van de organisatie, maar die hadden we zelf voor het grootste deel omgeruild voor bier. Als je dan de volgende helft moest lopen, ging dat behoorlijk in je benen zitten.
We deden mee aan allerlei concoursen. Ik herinner me nog dat we in Wuppertal optraden en dat we tussen de middag koude Iglo-maaltijden kregen. Zo uit de koelkast. Wat een armoe was dat. Wisten de Duitsers niet dat je dat moest opwarmen? Wanneer het precies was, dat optreden in Wuppertal, weet ik niet meer. Er zijn meer reisjes die kant op geweest, begrijp ik uit een bericht uit het Leidsch Dagblad van 26 november 1985. Het optreden dat ik heb meegemaakt moet van na 1978 geweest zijn. De historicus Van Deursen haalt in zijn boek In Katwijk is alles anders een optreden aan uit 1974. Hij vertelt dat de Duitsers die naar Katwijk op vakantie kwamen het er een jaar later nog over hadden dat ze de UNI in Wuppertal gezien hadden.***** Van een concours in België herinner ik me van de plaats waar we optraden dat de pleinen en straten allemaal schuin afliepen en dat de cafés vol zaten met breiende vrouwen. Ja, die concoursen vond ik wel het ergste eigenlijk, al die figuren lopen, dat was niks aan. Liever liep ik gewoon door de straten.

De UNI marcheert over het Vuurbaakplein. Ondertussen gaan de majorettes met een
collectebus langs de deuren om geld op te halen voor het Anjerfonds. 9 juni 1980.

* Preciezer: van de rechterstok op de linkerstok.
** Bea Nijgh.
*** Een drieslag heeft dus één dubbele slag, een vijfslag twee dubbele slagen en een zevenslag drie.
**** Het ging erom de stokken zo los mogelijk in je handen te houden. Om dat te leren en ze niet te laten vallen, deed je in het begin om het achtereind van de stokken een rubberen ring van de dop van een beugelfles Grolsch. Verder beweeg je alleen je polsen. Roffelen is net als zwemmen. Als je het eenmaal kan, verleer je het nooit meer. Maar op een drumstel spelen, dat leer je eigenlijk nooit goed, als je tamboer geweest. Op een enkele trommel speel je anders.
***** A.Th. van Deursen, In Katwijk is alles anders. Een christelijk dorp ontmoet de wereld 1940-2005. Amsterdam: Bert Bakker, 2011, p. 178.

zondag 17 september 2017

De uittocht – In de Oost (1)


25 mei 2017 – ergens onderweg tussen Djakarta en Bandung.


Allemaal in de file, met alles wat maar rijden kan. Allemaal op pad voor het lange hemelvaartweekend. Moslims, christenen, hindoes, allemaal vieren ze op een andere manier hetzelfde feest en geven elkaar daarin de ruimte.

zaterdag 9 september 2017

Vlaggen voor het raadhuis – Wat nou weer? (3)

Staat er iets over in de wet?* Vroeger kreeg je er een bekeuring voor, dat weet ik wel, maar met een lampje eronder mag het opeens. Zelfs op zondag. Ons derde vlogje voor de VLOK (RTV Katwijk)** gaat over de vlaggen voor het gemeentehuis. Die waren er vroeger niet. Vroeger? Nog helemaal nog niet zo lang geleden niet.

Wel even een waarschuwing vooraf: de uitzending is niet geschikt voor jeugdige kijkers!




* Op rijksoverheid.nl vinden we de vlaginstructie, waarin onder andere staat: 'Wel zijn er gebruiken en regels (protocol) voor het uithangen van de vlag. Zo mag een gehesen vlag nooit de grond raken of het verkeer hinderen. Ook is het de gewoonte dat u de vlag niet laat hangen tussen zonsondergang en zonsopkomst. Wilt u de vlag ’s nachts wel laten hangen? Dan is het goed gebruik de vlag te verlichten, waardoor de kleuren goed zichtbaar zijn.' Dat laatste heb ik nooit geweten. Ik vraag me af van wanneer die toevoeging is.
** De uitzending was mei 2017 op tv.

donderdag 31 augustus 2017

Vijfentachtig

Met zusje Wil en broertje Wim.

M'n moeder is vandaag 85 jaar geworden. Op deze foto is ze een jaar of negentien.

donderdag 24 augustus 2017

Carel

Carel de Vink (27 februari 1887 - 28 april 1944).

Dit is de tweede man van m'n oma. Zijn geschiedenis is duister. Pas een paar weken terug kreeg ik voor het eerst deze foto te zien. Ook hij ging vroeg dood. Uit zijn eerste huwelijk met Jacoba van Duijn (14 oktober 1892 - 22 juni 1928) had hij zes kinderen. Bij mijn oma kreeg hij er nog zes. Met m'n ome Jaap erbij, de zoon uit haar eerste huwelijk, is dat dertien. Zeven van haarzelf. Ze trouwden op 22 mei 1930.

M'n ome Jaap vertelde me een keer dat hij bang was voor die man. Dat hij zich als kind – hij zal toen een jaar of tien geweest zijn –, verstopte achter de rokken van z'n moeder als ze hem tegenkwam op het land. En dat hij haar steeds mee uit nam naar Rotterdam. En ik dacht altijd dat hij aan een tumor in zijn hoofd overleden was, maar het was wolf. Dat krijg je in je gebit. Hij lag daarvoor in een kliniek in Wassenaar.

M'n vader was twaalf toen z'n vader overleed. Hij is naar hem vernoemd. Ik ook. Omdat ik het altijd een rotnaam vond – de naam klinkt me te hard –, liet ik me liever met mijn tweede naam aanroepen.

M'n opa was landarbeider. Dat verklaart misschien dat m'n vader ook een tijdje op het land gewerkt heeft, van zijn twaalfde tot zijn veertiende. Toen ging hij naar zee. Maar aan boord noemden ze hem Kees. Zo wordt hij nog door iedereen genoemd. Carel was een buitenissige naam, die kenden ze niet in Katwijk. M'n vader was erg mager in de tijd dat hij voor het eerst ging varen. Hij herinnert zich nog dat ze tegen hem zeiden: 'Keesje, je moet wel eten!'

Met dank aan Marianne Spaargaren-de Vink en Maria Hensbergen-de Vink voor de foto.

donderdag 17 augustus 2017

Op de foto

Aaltje Schaap (11 augustus 1896 - 26 april 1976) en Jacob van Duijn (16 juni 1898 - 20 febuari 1918).

M'n oma van vaderskant met haar eerste man.

Hoe ze in de camera kijken. Zij met die verliefde, verwachtingsvolle blik, minzaam, hij stoer voor zich uit, een hand op haar schouder. Je moest er helemaal voor naar Leiden, naar de Haarlemmerstraat, schemert er door op de rand van de foto. Nummer 47. Zat daar een fotograaf? Ze heeft zich er mooi voor aangekleed, een wrong in haar haar, een ketting om en een riem met een grote, vierkante gesp. Hij een pet op en in de nog vrije hand een sigaar.

Ze trouwden op 20 december 1917. Ergens daarvoor zal de foto gemaakt zijn, waarschijnlijk toen ze verloofden.

Het huwelijk van Aaltje en Jacob duurde twee maanden. In het Leidsch Dagblad van 1 maart 1918 lezen we dat de YM 242 'Adriana Johanna' waarop Jacob voer als matroos, in de vroege morgen van woensdag 27 februari op een mijn liep. Zoon Jacob (de halfbroer van mijn vader uit het vorige bericht) werd een maand later geboren, op 27 maart 1918.

Leidsch Dagblad, 1 maart 1918.

Volgens een bericht in de Leidsche Courant is de ramp met de YM 242 echter al een week eerder gebeurd, op woensdag 20 februari. Kranten schrijven elkaar over. Dit is ook te lezen in een verklaring aan de Inspectie voor de Scheepvaart van schipper J. Vink van de YM 178 'Nora', die het ongeluk heeft 'zien' gebeuren. Uit een verklaring aan dezelfde inspectie van reder J. van Beelen wordt duidelijk dat de Adriana Johanna 'voor het laatst is uitgevaren' op de maandag daarvoor.

Verklaring van schipper J. Vink van de YM 178 'Nora' van 20 februari 1918.*
Verklaring van reder J. van Beelen van 11 maart 1918.

Met dank aan Jan van Welie en Jan Sneijders voor de laatste informatie.

*Tekst van de verklaring, waarin een enkele spelfout stilzwijgend is verbeterd: [...] Bij een stijve bries met lichte sneeuw, buien, werden wij vanmorgen om 7 uur door de wacht gewaarschuwd dat een vaartuig op een mijn liep. Wij hebben onmiddellijk het net ingehaald en hebben ons naar die plaats begeven. Daar gekomen zagen wij behalve wat wrakhout een sloep vol water met een man erin die ons toeriep. Wij wierpen hem een lijn toe met de reddingsboei eraan, die hij beetpakte. Wij haalden hem naar ons toe maar met optrekken langs het schip liet hij zich los en verdween in de diepte. Toen hebben wij dadelijk onze sloep buiten gegooid en zijn naar die plaats geroeid maar we hebben niets meer gezien. De sloep was gemerkt Y.M. 242. [...]

maandag 14 augustus 2017

Op zaterdagmorgen


M'n vader (r) bij z'n halfbroer, m'n ome Jaap.

Dat was altijd op zaterdagmorgen. Iedere week, voor het middageten. M'n ome Jaap z'n vader verdronk op zee. Waarna hun moeder hertrouwde, nog zes kinderen kreeg en haar tweede man uit een eerder huwelijk nog zes kinderen meebracht. M'n vader is de tweede van die zes kinderen, de oudste zoon.

donderdag 10 augustus 2017

Op de logger

M'n vader is die jongen, derde van rechts, van opzij gefotografeerd.

M'n vader als visserman.

Hij ging met z'n veertiende jaar naar zee. Dat was vlak na de oorlog, in 1946. Daarvoor werkte hij vanaf z'n twaalfde op het land. Zijn vader was in 1944 jong overleden en liet een moeder met zeven kinderen achter. Er moest brood op de plank.

maandag 7 augustus 2017

In de duinen

Zomer of herfst 1964, ik ruim 2 jaar oud, m'n vader ruim 32 jaar.

M'n vader als speelkameraad.

Ik met een bal, m'n vader met de vlieger. Wanneer kan-ie de lucht in?