vrijdag 30 juni 2017

Over een pad en zes eenden


Maandag was het al een pad die ik een zetje moest geven, van het pad af. Je zag hem denken: Wat moet ik dan? Ik zit hier toch goed, op zo'n heel mooi pad? Ik zei: 'Pad, dit is een pad waarop je zit. Er fietst en brommert van alles overheen. Als ik je geen zetje geef, ben je straks plat, een platte pad op het pad.' Dan is het niet meer zo'n heel mooi pad. Z'n kraaloogjes draaiden in het rond, dan weer vooruit, dan weer omhoog, naar die reus die naast hem stond, niet wetende wat hij moest doen. 'Nou, pad, dan geef ik je een zetje. Dat is beter voor je. Fijne dag nog!'


Dinsdag was het een stel eenden, zes in totaal. Ze stonden in een rijtje, van plan de weg over te steken. Geen drukke weg, maar toch. Ze draalden, druk kwakend, met z'n vijven tegen die vooraan. 'Hé, eenden, zal ik jullie maar helpen? Gisteren had ik al een pad, die niet van het pad af wou, en nu heb ik jullie, die niet over de weg kunnen, maar er wel over moeten. Omdat jullie denken dat het gras aan de overkant groener is. Kom.' Ik zette m'n fiets neer om de auto's tegen te houden. En daar kwamen ze, alle zes, waggeldewaggel. 'Kom maar. Nou niet op de middenberm blijven hangen. Kom!' En ook dat lukte, druk kwakend: 'Wat goed van u, meneer, dank u wel! Wat fijn dat u ons naar de overkant helpt.' Allemaal door elkaar. Blij dat ze waren toen ze in hun nieuwe gebied aankwamen.

Die avond fietste ik weer langs de eenden in hun nieuwe gebied. Van verre hoorde ik ze al kwaken: 'Kijk, daar heb je die meneer, die ons vanmorgen zo goed geholpen heeft.'

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen