vrijdag 24 augustus 2018

Op de foto – Volendam (5)


We doen er allemaal aan mee, aan de leugen van Volendam, maar wat een heerlijke leugen! Deze is gemaakt bij Zwarthoed, recht tegenover Hotel Spaander, alweer heel wat jaartjes geleden. Zwarthoed besteedt veel aandacht aan de details, zoals het netjes uitleggen van de rok. Vergelijk de etalages maar eens van al die andere fotografen.

maandag 20 augustus 2018

Binnenkijken bij fotostudio Zwarthoed – Volendam (4)

Ondertussen aan de overkant van Hotel Spaander...


Je staat zomaar niet op de foto, bij foto Zwarthoed.

zondag 12 augustus 2018

In de etalage – Volendam (3)


'Kijk, Gerard Joling, en daar, een nog jonge André Hazes. En Jan Smit en Jan Keizer. Wat een volk.'


'Maar die komen hiervandaan, die Jan Smit en Jan Keizer. Die zijn het gewend er zo bij te lopen.'


'Hé kijk, André van Duin houdt dezelfde accordeon vast als ik.'

donderdag 9 augustus 2018

De knipskuite ('de knipschuiten') – Katwijk-fiction

Een knipschuit, met de letters K op de achtersteven, ligt
ter reparatie op het strand tussen de andere knipschuiten.

Je hadde òòk nog de knipskuite.* Die voere van Lààie nae Kattuk, mit knip.**
('Je had ook nog de knipschuiten. Die voeren van Leiden naar Katwijk, met knip, een soort janhagel.')

* De knipschuiten konden gemakkelijk van de kakenbommen onderscheiden worden door de hoofdletter K die aan weerszijden op de boeg en achtersteven geschilderd was. Zij waren ook kleiner dan de kakenbommen. Geen 40 bij 21 maar 30 bij 14 voet. Dat maakte de scheepjes wendbaarder als ze de Rijn af kwamen zakken. De Rijn was in die tijd een bochtige rivier met veel smalle doorgangen bij de bruggen. In Katwijk zeggen ze voor brug bregge en een bekende uitdrukking onder de Katwijkers is een breggetje neme voor als men iets gedurfdst moet doen. Letterlijk betekent dit 'een bruggetje nemen', dus door de smalle doorgang van een brug varen. Maar de doorgangen waren vaak zo smal dat de schipper van de knipschuit eerst een borreltje nam voordat hij erdoorheen voer. Dan durfde hij, zogezegd. Van lieverlede is een breggetje neme daardoor een borreltje nemen (drinken) gaan betekenen, ook als men niet is gewaagdst moest doen, zoals onder brug door varen. Om een lang verhaal kort te maken: de lezer begrijpt wel dat de schippers van de knipschuiten vaak half beschonken in Katwijk arriveerden. Gelukkig werd de Rijn daar naar zee toe steeds breder zodat het wendbare scheepje nergens tegenop botste. Maar in Leiden, waar de knipschuiten hun tocht begonnen, was het nog smal. Lag zo'n knipschuit bijvoorbeeld aangemeerd aan de Lange Mare bij de bakkerij van Goedeljee, dat was op de hoek met de Clarensteeg, dan moest zij eerst onder het smalle bruggetje van de Haarlemmerstraat door en daarna onder het nog smallere van de Stille Rijn om op de Rijn te komen. Dan ging het verder rechtsaf langs de Apothersdijk en het Galgenwater via Valkenburg en Katwijk aan de Rijn naar Katwijk aan Zee. En het schuitje was flink beladen, hoor. De schipper nam dan in de bakkerij al een of twee borrels en voor elk bruggetje dat hij passeren moest nog een borrel. Hij had daartoe een flesje Hartevelt onder de verschansing bij de helmstok liggen. Bekend in Katwijk, maar ook in Leiden, is nog steeds de uitdrukking zo dronken als een knipschipper.
** Knip was een soort janhagel, een rechthoekig zandkoekje met suikerkorrels erop. Het verschil met de janhagel is dat de amandelschaafsel ontbreekt. Het koekje werd in Leiden gebakken. De hele stad rook naar dit baksel, vandaar dat Leiden ook wel knipstad genoemd werd. In het verlengde daarvan lag vanzelfsprekend de aanduiding sleutelstad. (Bij een knip op de deur kun je ook wel een sleutel gebruiken, nietwaar?) De schuiten voeren met de knip van Leiden naar Katwijk via de Rijn om vervolgens bij zee aangekomen linksaf te slaan en op het strand te landen. Daar werd de knip uitgeladen en in lange rijen, als op een bakplaat – maar wel wat groter – op het strand uitgelegd. Vervolgens kwam de afslager met een lange stok. Hij wees de partijen knip aan en sloeg ze af. De vrouwen – de mannen zaten op zee op jacht naar zeekaken – die als eerste hun hand opstaken hadden de beste knip voor de beste prijs.

vrijdag 3 augustus 2018

Mit 'n witte vlagge ('met een witte vlag') – Katwijk-fiction


De kaekebom hàài altijd 'n witte vlagge* in de mast**, tot je kon zien tot-ie op kaeke voer. 't Wit van de kaeke, zòò-ezààd.
('De kakenbom had altijd een witte vlag in de mast, zodat je kon zien dat hij op kaken viste. Het wit van de kaken, zogezegd.')

* De vlag, eerder een wimpel of vaan, was 2 meter lang en had meestal een breedte van 37 centimeter. Dat was de breedte die ze op rol konden leveren, helemaal uit Duitsland vandaan, uit de katoenfabriek van Vonderlinden in Hamburg. Vandaar dat men de vaan ook wel aanduidde als een 'vonderlindetje'. Ja zelfs de kakenbom zo aanduidde, maar dat was uitzonderlijk. Dat ging dan van: Zie je die vonderlinde al ankomme in de vorte? ('Zie je die vonderlinden al aankomen in de verte?') De hier afgebeelde vaan is onderdeel van het model van de kakenbom dat ik thuis heb staan. De verhouding klopt daarom niet helemaal.
** De witte vlag hing altijd in de lange (voorste) mast, de zogenaamde lange steng. In de korte achtermast, de korte steng, werd de vaderlandse driekleur gevoerd, met uitzondering van de Franse tijd (1804-1814/15) toen de Franse vlag gevoerd werd, de drapeau tricolore. Deze tricolore dook in de jaren tachtig van de twintigste eeuw opeens weer op toen hij aan de meubelzaak van Haasnoot wapperde. Maar gelukkig, aandachtige jongeren met veel gevoel en historisch besef grepen toen snel en onverwijld en zonder dralen in. Er was geen moment van twijfel. Dit speelde zich allemaal af in de Voorstraat, een belangrijke straat, waar op een steenworp afstand, wat meer naar zee, zo'n 75 jaar daarvoor bij de firma Taat de kaekebomme aan de lopende band de werf verlieten. Het strand lag er vol mee. Op de foto hieronder zien we alle kakenbommen die Katwijk rijk was langs de boulevard tegen de huizen opgetrokken liggen, liggen te wachten tot de winter weer voorbij is en de kakenjacht geopend wordt. De jongen rechts houdt speciaal voor de fotograaf nog even een extra grote en dikke zaekaek boven zijn hoofd.

woensdag 1 augustus 2018

't Kaekenet ('het kakennet') – Katwijk-fiction


En dut is 'n kaekenet*, waermit of tot-tie zaekaeke-n-evange wiere.**
('En dit is een kakennet, waarmee die zeekaken werden gevangen.')

* Een compleet kakennet was 240 meter lang. Op 220 meter, gemeten vanaf de schuit, begon de kuil. Die had derhalve een lengte van 20 meter. De opening van de kuil mat 14 meter in de breedte en was twee meter hoog. De maaswijdte was 3 centimeter.
Als het net door de bemanning binnengehaald werd, riep de schipper bij elke ruk aan het net, doorlopend en met lange uithalen: 'Kae-kuh! Kae-kuh! Kae-kuh!' (enz.). De mannen maakten hierbij vaste, 'roeiende' bewegingen. Tot men bij de kuil was aangekomen. Dan was het torsen geblazen. De kuil werd met alle macht over de verschansing getrokken. Nu kwam het legen van de kuil. Dat was altijd weer een spannend moment. De 'strik' werd eruit getrokken en een grote golf van zeekaken overspoelde het dek. Ze rolden alle kanten op. Op sommige plekken kwamen ze wel tot een meter hoog en was er geen doorkomen meer aan. Nadat de schipper het sein: 'Rae-puh!' gegeven had, begon men met het rapen van de zeekaken. Vervolgens werden de kaken dakpansgewijs in de kaaktonnen gelegd. Een zorgvuldig karweitje, waarvoor niet alle mannen geschikt waren. Maar ieder wist zijn plaats. Je had 'raepers' en 'leggers', zij die alleen raapten en zij die de geraapte kaken ook in de tonnen mochten leggen. Om de kaken goed te houden, werden de tonnen aangevuld met zeewater, tot de rand, waarna de deksel erop ging. Hiervan komt de uitdrukking: 'Z'n ààge 'n gewaekte kaek voele' ('Zich een geweekte kaak voelen') oftewel 'zich benauwd (warm) en nat van het zweet voelen (als natte kaken in een ton)'.
** Eenmaal aan land, maalden de bakkers de zeekaken tot meel om er vervolgens brood van te bakken. Maar dit ging niet zomaar. Om ze te kunnen malen moesten de kaken kurkdroog zijn. De natte kaken werden daarom eerst te drogen gelegd op de 'kaekvelde'. Deze waren gesitueerd rondom het wantveld, waar het want, de netten gedroogd werden. Dat de kaakvelden aan de buitenkant lagen, was bijzonder slim bedacht. Men kon er zo gemakkelijk bij als er bijvoorbeeld een bui in aantocht was. Men hoefde dan niet eerst door de netten te ploegen.