zondag 16 januari 2022

Nol in 't Bosch

Dit weekend logeerden we in Nol in 't Bosch in Wageningen. Zo'n ouderwets hotel. Een beetje gedateerd, maar dat heeft juist zijn charme. Met een kamer aan de tuinzijde. Tuin? Een heel bos, waar je in keek. Met schuin omhoog een smalle weg richting Renkum, de Geertjesweg. Als het donker werd en je zag twee koplampen tussen de bomen door dichterbij komen, moest je aan het boek Oorlogswinter denken, van Jan Terlouw. Zo'n omgeving. 

In 1952 had prinses Beatrix er nog gelogeerd, toen zij meedeed aan paardrijwedstrijden. In de hal naast de receptie hangt een fotocollage ter herinnering en achter het hotel bevindt zich nog altijd de manege. Er zijn ook tennisbanen en vroeger was er een speeltuin. Het hotel is al generatieslang in handen van de familie Beijer.* Ik denk ondertussen de zesde generatie. In de gangen kwamen we de vierde generatie tegen, een oude dame, achter de rollator. Zij had hier Armgard nog meegemaakt, en Wilhelmina. En Claus. Telkens als we naar onze kamer liepen, kwamen we door een gang waar het naar rook rook, terwijl er toch nergens in het hotel gerookt mocht worden. Zou dat de oude sigarenlucht van prins Hendrik nog zijn?

De tuinzijde.

* In 1836 vestigde zich hier boswachter Arnoldus (Nol) Gerritsen. Hij begon een bescheiden herberg, een uitspanning waar koetsiers met hun gasten konden uitrusten. In 1877 nam zijn schoonzoon, Adrianus Beijer, de zaak over. De familie Beijer is nog steeds eigenares van het hotel.

zaterdag 8 januari 2022

Penelope Lively: Leven in de tuin

Leven in de tuin van Penelope Lively levert weer heel wat aantekeningen op voor m'n aantekenboekje, allerlei om na te gaan, verder te lezen of om bij aan te sluiten, het opmerkelijke te onthouden... opdat wij niet vergeten.

Penelope Lively, alleen de naam al, schreef met Leven in de tuin een boek zo gevarieerd als de tuin zelf, een genot om te lezen, iedere dag een stukje, twee bladzijden, misschien drie, zoveel als een stukje spitten, een beetje snoeien, een bloem zien opkomen in al zijn pracht, maar wel, zo Engels als het maar zijn kan, en waarom niet, Groot-Brittannië en tuinen, het zijn bijna synoniemen van elkaar.

maandag 3 januari 2022

Bougainvillea

Bougainvillea op het eiland Farol, 7 november 2021.

Bougainvillea. Mooi woord. Ik las het voor het eerst in Braziliaanse brieven van August Willemsen. Ik moest het opzoeken, bougainvillea. Dit jaar komt er van het boek een herdruk, dan ga ik het weer lezen. Bougainvillea, uitbundig woord, voor een uitbundige bloemenpracht. In november bloeit de bougainvillea nog volop, in Brazilë en ook in de Algarve, waar deze foto is genomen.

Bougainvillea, Brazilaanse brieven, allemaal letters b, de b ook van bureaucratie, door de Braziliaanse autoriteiten in het boek, de b van een boot die niet aan land mag, een boot vol passagiers, op de Amazone. Want er gaan geruchten dat er ziektes aan boord zijn. Zo'n boot, die maar blijft dobberen, midden op de rivier, en het drinkwater dat opraakt, het wachten. Later maakt een vriend van me precies zo'n zelfde verhaal mee, op zo'n zelfde boot, als hij een indianentaal wil onderzoeken, in het oerwoud, waardoor de rivier stroomt, een indianentaal waarvan toen nog 25 sprekers leefden, het Kwaza. Toen. In een oerwoud dat met houtkap bedreigd wordt. Dezelfde Braziliaanse bureaucratie. Dezelfde bureaucratie van niet aan land mogen, want de geruchten gaan, er zouden ziektes heersen, aan boord.

Bougainvillea, wat zo'n woord allemaal oproept.

vrijdag 24 december 2021

Kogels uit de Tachtigjarige Oorlog

De grote meet 8,1 centimeter in doorsnee en is 2240 gram,
de kleine is 3,1 centimeter en weegt 123 gram.

Het met water vermengde zand van de zandzuiger (uit het vorige bericht), ging voor het door de buizen werd geperst, eerst nog door een zeef. Die zeef zat in een bak. Eens in de zoveel tijd werd de bak opengemaakt. Dan ging mijn vader kijken wat erin zat. Veel rommel, die de buizen kon verstoppen, maar ook materiaal dat archeologisch interessant was, van kruikjes, die meestal stuk waren, tot Romeinse munten, en spullen waarvan je niet meteen wist wat het was. Of als je dat wel wist, van wanneer het was. Daarmee ging mijn vader dan naar een museum. Met de Romeinse munten ging hij naar het Museum van Oudheden in Leiden. Die wilden ze wel hebben natuurlijk. Toch deed hij ze niet meteen van de hand.

Een andere vondst die hij niet meteen thuis kon brengen, was een vishaak. Een grote vishaak, van wel 18 centimeter lang. Om het rechte gedeelte, de steel, zat lood in de vorm van een visje gesmolten, om de haak te laten zinken als er aas aan zat. Een flink stuk aas moet dat geweest zijn. Het loden visje was ongeveer 8 centimeter lang, en ik schat dat het gedeelte bij de bocht, naar de weerhaak toe, zo'n 6 centimeter in doorsnede was. Een hele bijzondere vishaak, en mooi om te zien. Wat ermee gevangen werd, weet ik niet, wel grote vissen, haaien misschien. De haak zelf was verroest, want van ijzer, het loden visje was nog mooi intact. Jarenlang heeft hij in de vensterbank gelegen, naast het model van een vikingschip, dat mijn vader had meegenomen uit Kopenhagen, op een van zijn zeereizen. Altijd, als iemand ernaar vroeg, vertelde hij weer dat verhaal van dat gave loden visje om die verroeste vishaak, waarmee duidelijk het verschil in oxidatie tussen de twee metaalsoorten kon worden aangetoond.

De kogels op bovenstaande foto zijn ook uit de wateren rond de Nieuwe Waterweg gezeefd. Ik weet niet uit welke tijd ze komen of dat er nog mee geschoten is in een van de Engelse zeeoorlogen met de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de 17e en 18e eeuw. Maar vermoedelijk zijn ze nog wat ouder, uit de 16e eeuw, en zijn ze in de Tachtigjarige Oorlog gebruikt. Misschien wel door de watergeuzen bij Den Briel. Op het wereldwijde web zie ik dat ze ook in Vlaardingen zijn gevonden. In de loop der eeuwen is er een mooi patinalaagje op gekomen. Ik denk dat ze van gietijzer zijn.

zaterdag 18 december 2021

Hengelen


Hier sta ik met een hengel, gemaakt van een bezem (een bezem om het dek te schrobben) en een veel te dik touw. Je kan het op de foto zien, zo dik is het, en de vissen zien het ook, want ze zwemmen met een grote boog om het haakje heen. Kort hierna zal ik wel mijn eerste echte hengel krijgen, gekocht bij de dierenwinkel van Peeters in de Princestraat. Het nylon touw dat daaraan zit is veel dunner, en doorzichtig, de vissen zien het niet. Ik vang er een voorntje mee, in de Zuidduinen, in dat grote meer dat er dan nog is bij de muur, zo noemen we de Atlantikwall, waarvan daar nog een stuk staat. M'n vader moet hem voor me van het haakje halen. Het is de eerste en laatste vis die ik met een hengel vang.

Maar hier sta ik nog met die bezem met dat dikke touw. Op het dek, het gangboord van een zuiger, een zandzuiger. Hoe weet ik dat het een zuiger is? Dat zie je aan dat stukje buis dat linksboven in de foto schuin omhoogsteekt. Naast de zuiger ligt een bak, een zandbak, dat is een schip om zand te vervoeren. Je ziet nog net de letters KON. MY. ADR van de Koninklijke Maatschappij Adriaan Volker.* Mijn vader heeft er de wacht en we zijn er met het hele gezin.

Iedere dag gaat mijn vader de machinekamer van de zuiger in. Die bevindt zich onder de waterspiegel. Ik mag dan mee. Je gaat een zware ijzeren deur door en moet dan een smal ijzeren trapje af. Machinekamer is eigenlijk niet het goede woord, want het is een hele grote zaal, waarin de machines van het schip staan te draaien. Hij loopt ze allemaal na en doet er met een oliespuit hier en daar een beetje olie bij, zodat ze gesmeerd blijven. Ze moeten aan blijven (gaan blijven), dat is beter voor het schip. Een keer kwam er een tanker langs, die ging de zee op, zo'n grote mammoettanker met zo'n druppel voor aan de boeg. Mijn vader nam me mee naar de machinekamer en deed de machines voor heel even uit. Het werd heel stil. Maar onder het water kon je in de verte de motor, de machines van de mammoettanker horen. Zo heb ik geleerd dat water geleidt, heel ver. Zoals mistdruppels in het voor- en najaar het geluid geleiden, wanneer er kilometers ver een trein voorbijrijdt. Dat heb ik altijd onthouden. Als ik op mijn beurt aan iemand uitleg dat water en waterdamp geleidt, vertel ik er dit verhaal van mijn vader bij.

De bakken waren de schepen om de bagger te vervoeren, de specie noemde mijn vader dat, zand vermengd met water, om het van de zeebodem door de buizen van de zuiger in de bakken te spuiten. Het water liep dan over de randen van de bakken over de gangboorden in het water en het zand bleef achter. Kilometers verder, wanneer de bak bij een andere zuiger aankwam, werd dat zand weer vermengd met water, waardoor de zuiger het op kon zuigen en het door dikke buizen heel ver het land kon op spuiten. Zo ontstond de Maasvlakte. Mijn vader kon er altijd mooi over vertellen, dat hij de Maasvlakte mee had helpen maken, en ook de Flevopolders.

* Omdat ze op een gegeven moment het predicaat Koninklijk gekregen hadden kregen alle schepen een oranje band over het grijs geschilderd. Ik weet nog dat mijn vader dat voor het schip waarop hij voer moest gaan doen, die oranje band verven.

woensdag 8 december 2021

Fuiken lichten

 

Met mijn vader in de roeiboot. Hij heeft zijn lieslaarzen aan. Ik moet hier een jaar of tien zijn, m'n vader veertig, we schelen precies dertig jaar en één dag. Hoe kun je het zo uitmikken.

Je moet de roeispaan niet te diep in het water steken, dan gaat het veel te zwaar. Ik weet zeker dat hij dat hier tegen me zegt. En alle keren dat ik roei in mijn latere leven, veel is dat niet, denk ik daar weer aan, dat mijn vader me dat geleerd heeft. Net onder water, dat is genoeg om vooruit te komen. Mijn moeder neemt de foto, en naast mijn moeder zit mijn zus, zes jaar, wij schelen vier jaar. Mijn moeder is negenendertig, een jaar jonger dan m'n vader.

We zijn op weg naar een palingfuik, ergens in de wateren bij de Maasvlakte. Daar werkte mijn vader in de bagger, bij de firma Adriaan Volker. Als de andere collega's vakantie hadden nam hij de wacht. Zo heette dat. Dan hielden wij vakantie op de baggerschuiten. Een klein bootje bracht ons ernaartoe, midden op het water. Hetzelfde bootje dat het eten bracht en iedere dag de krant. Hier liggen we in de buurt van de Amercentrale, dat is een elektriciteitscentrale. Bij mooi weer kun je vanaf het strand van Katwijk de twee schoorstenen zien, voorbij de pier van Scheveningen.

Op de Maasvlakte stikt het van de konijnen. Je kan ze gemakkelijk vangen, met strikken, maar nu gaan we naar de fuiken. Fuiken lichten, zo noem je dat. We leggen de boot aan de kant, bij een dijk van basaltblokken. Wij, mijn moeder, mijn zus en ik blijven op de kant. Ik zie ons daar nog staan, terwijl m'n vader het water in gaat, het donkere water van de Nieuwe Waterweg, of is het het Calandkanaal, hij gaat het talud af, zo noemt hij dat, met zijn hoge lieslaarzen, zoekend naar die fuik, over de ongelijke stenen en het zand van de bodem, met zijn handen onder het water. Het heeft iets radeloos, waar heeft hij die stokken gezet? Als hij een fuik gevonden heeft haalt hij die naar de kant. Hij haalt het knoopje uit het laatste, smalste net achter de kleinste hoepel en laat de palingen in de emmer glippen. Soms ontsnapt er wel eens een, die dan snel de dijk af glijdt en in het water verdwijnt. Het zijn dikke palingen, zeepalingen. Mijn vader heeft twee tonnen op elkaar laten lassen, met onderin een luikje voor de houtmot en bovenop een vochtige juten zak, om de rook er een beetje in te houden. In de bovenste ton zijn aan weerszijden gleufjes gemaakt. Daar hangt hij de speten in, waaraan hij op gelijke afstanden de palingen rijgt, door de koppen. Zo hangen ze te roken, tot ze gaar zijn, en het vet eruit druipt. Soms bakte hij ze ook, in dikke moten.

Die fuiken maakte mijn vader zelf, als hij thuis was, met fijnmazig net dat hij aan elkaar boet tussen ronde ringen, van groot naar klein naar de staart van de fuik, heel ingenieus. Vandaag is hij negentig geworden.

dinsdag 30 november 2021

Nieuwe bokking


Het is er maar een paar maanden, in de tijd van de nieuwe haring: nieuwe bokking. De naam zegt het al: gemaakt van nieuwe haring. Van de gerookte vis zowat het lekkerste wat er is. Helemaal niet zout, niet zoals een bokking van ná de zomer. Je zou het bijna 'groene bokking' kunnen noemen. Deze heb ik bij Schuitemaker gehaald. Vroeger kwamen ze van De Krul. Een begrip in Katwijk. Staat daarom in het Katwijks woordenboek, De Krul. Deze nieuwe bokkingen waren voor mijn baas. Ik heb ze even voor hem schoongemaakt. Een jaar geleden alweer, ruim.


Rechtsonder zie ik nog wel een graatje.

vrijdag 26 november 2021

Loch Long – West Highland Way (9)

Loch Long, bij Arrochar.

De West Highland Way voert je langs Loch Lomond. Je loopt daar wel een paar dagen. Aan de overkant van Loch Lomond heb je het plaatsje Tarbet (in het gebied Argyll and Bute).

We kwamen er met de boot uit Rowardennan. Vanuit Tarbet namen we de bus naar Arrochar. Het regende die middag. Maar er waren sunny spells.



We dronken thee met cake, zo'n hele taartpunt, in een tot restaurant omgebouwd kerkje. Erg smaakvol, moet ik zeggen. Maar dat was op de terugweg. Voordat de boot weer vertrok.

Hoewel, smaakvol? Die lamp onder dat schilderijtje...

Arrochar ligt aan het Loch Long, dat in verbinding staat met de Firth of Clyde, die uitkomt in de Ierse Zee. Hoe al dat water zich vermengd. Hoeveel water van Loch Long zal hier door de Noordzee stromen dicht bij waar we wonen? En andersom, hoeveel water van de Noordzee bij waar we wonen kabbelt er tussen de kiezels van Loch Long?

zondag 21 november 2021

Stoom (2) – West Highland Way (8)

De overrompeling als dat allemaal gaat rijden.

Dit filmpje is eigenlijk mislukt, maar het geeft een goed beeld van de kracht van zo'n gevaarte.

zaterdag 13 november 2021

Stoom (1) – West Highland Way (7)

 

Toen we bijna verdwaald waren, na ons bezoek aan The Rod And Reel Pub in Crianlarich, kwamen we op dit stationnetje terecht. Het is nog niet echt opgehouden met regenen, maar niemand die dat deert.

zaterdag 6 november 2021

Schuilen – West Highland Way (6)

 

The Rod And Reel Pub in Crianlarich, waar we om een stempel moesten en gelukkig ook konden schuilen, onder het genot van een kop koffie (of thee) en een scone met clotted cream. De regenbroeken hielden we maar even aan. Toen we de pub uit kwamen, zijn we daar bijna verdwaald, tussen de paar huizen van dat dorp.

donderdag 28 oktober 2021

De stempelkaart – West Highland Way (5)

De stempelkaart, met de stempels van dag tot dag.

We hadden ook een stempelkaart. Op verschillende plekken onderweg moesten we een stempel halen, in pubs en andere gelegenheden, verschillende stempels. En aan het eind van de West Highland Way leverde dat dan een officiële oorkonde op dat je dat hele eind gelopen had. Heel leuk.

De voorkant van de uitklapbare stempelkaart.

Soms was het echt zoeken naar zo'n pub. Ik weet nog dat we in een dorp waren waar de weg in een ronding naar beneden liep. Het regende heel erg, dus we waren blij dat we vanwege die stempel naar een pub gestuurd werden. Toen het opklaarde en we weer naar buiten konden, moesten we dezelfde weg weer terug omhoog, maar we bleven in cirkels door dat dorp lopen en vonden met moeite het pad terug. En zo groot was dat dorp niet.

De route op de achterkant van de stempelkaart.

We hadden al de vragenlijst van de student die onderzoek deed naar de beleving van de West Highland Way. Met de stempelkaart erbij hoefden ons in ieder geval niet te vervelen onderweg. En dan moest er ook nog gelopen worden.

zaterdag 23 oktober 2021

Aan het begin bij de poort – West Highland Way (4)


Aan het begin bij de poort in Milngavie stond een student die onderzoek deed naar de beleving van de West Highland Way. Of we daaraan mee wilden doen? Dat wilden we wel. We kregen allebei een mapje met vragenlijsten die we dan aan het eind van iedere wandeldag moesten invullen. Vragen over hoeveel kilometer je die dag gelopen had en hoe dat gegaan was, over de moeilijkheidsgraad van het parcours, wat voor cijfer je aan de verschillende aspecten van dat parcours wilde geven, dat soort dingen. Leuk om te doen. Je had een extra doel tijdens het wandelen, waardoor dat wandelen nog meer beleefde.